Categorieën
literaire fictie wijn

De geest in de fles.

Zonder mij was het allemaal vergeten. Al die jaren heb ik mijn herinneringen zorgvuldig verborgen. Als een dwerg in een sprookje poets ik ‘s nachts hebberig mijn schatten. Eén voor één laat ik ze door mijn kromme vingers glijden. Mijn geheugen komt tot leven, even echt als een gladde kiezelsteen die je tussen de wortels in de aarde vindt. Even zwoel als de eerste zonnestralen, de roze vingers die de mist betasten die als lingerie over de heuveltoppen ligt. Even scherp zie ik hoe een staalblauw kevertje zijn weg zoekt langs de kartelrand van een blad. Alles is met elkaar verbonden in die ene dauwdruppel die een ogenblik de oeroude wijnstokken weerspiegelt. Als je goed zou kijken, zou je de Bourgogne kunnen zien, Frankrijk en misschien wel meer. Zonder mij was het verdwenen: dat verloren groen, de roestrode vlekken langs de nerven: een landkaart van een land hier ver vandaan. Misschien dat ik je daarom wil vertellen wat mij is aangedaan: zodat ik niet vergeten word.

De laatste maanden denk ik steeds vaker aan die morgen en net als toen ben ik weerloos voor wat komt. Ik weet nog hoe ik vluchtte, weg van hun laarzen en het venijnige flitsen van vlijmscherpe messen. Doorweekt door de dauw rende ik zo hard ik kon door de wijngaard. Ik rende tot ik struikelde, kraaien vlogen op als flarden van hun geschreeuw toen ze me vonden. Ze sleurden me tussen de bladeren vandaan waar ik schuilde en steeds opnieuw beten hun scharen in mijn vel. Ze namen me mee en nu nog zie ik hun grote voeten die bleven trappen, schoppen tot er niets van me over was dan wat vocht en vellen op de vloer. Eeltige handen tilden me op en droegen me naar beneden. Tot de bodem. Daar werd het donker en het laatste wat ik hoorde was de kelderdeur die dichtsloeg. Hard als de punt aan het eind van een verhaal.

Vergeten

Maar alles is met elkaar verbonden. Ik ben die druiven die rijpen tussen de bladeren, de zon en de bronst van de herten in de heuvels. Maar ik ben ook de stenen van die kelder waar ik gistend van machteloze woede achter werd gelaten. De kou van die gevangenis heeft mijn karakter gevormd. Daar, in het duister, ben ik volwassen geworden.

Met mijn wang tegen het glas gedrukt om niets te missen, luister ik naar hun gedempte stemmen. Uren gaan voorbij. Ik hoor hoe hij de waarheid verdraait als hij een kurk uit een fles trekt: “Weet je nog?” Ze lacht, ook zij is niets vergeten. Haar stem herken ik natuurlijk: “Proost! Op ons?” Ik zou willen schreeuwen maar ik ben tot stilte gedwongen. Dit is mijn plek waar hunkerend moet wachten tot ze me vindt. Tot ze me bevrijdt. Bitter herkauw ik alle tientallen ontmoetingen en gelegenheden. Alle duizend-en-één nachten. Hoe vaak heb ik niet zo gelegen? Zo dichtbij dat ik de warmte van haar hand kon voelen? Ik weet alles nog. Tien jaar geleden was ik erbij toen ze achttien werd. We delen die herinnering die haar verblindt als flitslicht. Haar vader die zwijgend naar de fles in zijn handen kijkt. We weten beiden wat hij gaat zeggen: “Al achttien jaar wacht deze fles op jou. Een gelegenheid om samen te proosten…” stamelt hij en schudt zijn hoofd. Dan vertelt hij verbitterd dat hij niet haar vader is en draait zich om. Tot de zon opkwam staarde ze naar dat etiket zonder de fles aan te raken: een kasteel, haar geboortejaar en met balpen haar 18e verjaardag. “Het jaar erna is hij omgekomen bij een auto-ongeluk,” vertelt ze toonloos. “Mijn moeder wilde ik ook niet meer zien.” Ze nam ze een slok van haar wijn zonder iets te proeven en peuterde aan het Zwarte Pietenpapier dat ze die avond haastig om de fles had geplakt. “Ik had geen ander pakpapier,” bloost ze en kijkt naar zijn vingers terwijl hij voorzichtig de fles uitpakt. Natuurlijk wist ik wat ze wenste: een glas rode wijn om niets te hoeven zeggen, iemand die bij haar blijft als de herinneringen komen. En misschien gewoon niet meer alleen te hoeven zijn en ‘s nachts zijn vingers op haar borsten te voelen. Maar in plaats daarvan veegt hij verlegen het stof van het etiket: “Wow Bourgogne… Hé dat is jouw verjaardag?” Lang is het stil. “Die fles wil vast heel graag open,” lacht ze en zoekt tevergeefs zijn ogen.

Hoeveel ‘bijzondere gelegenheden’ zijn voorbijgegaan? Hoeveel kansen verkeken? Hoe vaak heeft ze niet zonder het te beseffen aan mij gedacht – om me vervolgens te vergeten? Jaren gingen voorbij zonder dat ze haar wensen wist te vervullen. Mensen kwamen dichtbij, maar schrokken terug als ze de glazen wanden voelden die haar omringen. Haar herinneringen: koud als een fietspad in de polder en donker als bandensporen in een modderige berm. Peinzend tekent ze een smiley in het stof dat aan de fles kleeft. “Ik moet gaan,” zegt ze opeens en staat op. “Bel je me?” Ze voelt zijn teleurstelling als hij de deur opendoet. Ze ruikt zijn lichaam als hij onhandig haar lippen zoekt. Ze draait zich om en vlucht naar buiten: “Bel je me? Dan drinken we samen die fles van mijn vader op!” belooft ze. Rutten bij nacht is de rand van de wereld. Van zijn wereld in elk geval. Hij leunde hij tegen de deurpost en volgde de achterlichten van haar Saab tot ze over de rand van de wereld viel en verdween.

Vergeven

Alles is verbonden door mensen, door wensen, door woorden en wijn. Ik bén die Bourgogne die jarenlang van hand tot hand ging. Ik ben de geest in de fles die ongeopend bleef. Ik leef omdat ik al die geuren en smaken bewaarde en beloofde ze terug te geven. Decénnia heb ik gewacht tot iemand mij zou bevrijden. Maar niemand heeft de waarheid in de wijn gezocht. Niemand begreep hoe ik hun dromen uit had kunnen laten komen. Zo had het gemoeten: drie wensen en een ‘ze leefden nog lang en gelukkig’. Maar het is te laat, ik ben te oud. Mijn adem stinkt en mijn ziel is zuur. Mijn gedachten bederven de kurk waarmee ze zo voorzichtig mijn geest gevangen namen. Het is voorbij, Frankrijk is verdwenen. Het kasteel, de heuvels en al die herinneringen zijn niet meer dan beschimmelde snippers die kleven 
aan het glas.

“Te laat,” mompelt hij en hurkt bij het wijnrek. Wat zou hij doen als hij wist dat ik hem hoor? Zou hij schrikken als hij wist dat ik hem kan zien, vreemd vervormd door de groene glazen wanden? Vandaag is het drie jaar geleden dat ze me hier achterliet. Hij pakt de fles uit het rek maar zelfs haar geboortejaar is niet meer te lezen. “Te laat om nog te bellen,” zegt hij tegen zichzelf. Zoals elke avond denkt hij aan haar en drinkt zonder te proeven. Drank uit streken zonder troost. Wijn uit flessen zonder ziel. “Weet je nog?” typt hij en vindt een emoticon van een fles rode wijn. Tussen zijn voeten staat die oude fles Bourgogne “Van harte gefeliciteerd, misschien een mooie gelegenheid om af te spreken?” Hij wacht een fles lang met verzenden. Dan, na zeven smakeloze slokken, vindt hij eindelijk de moed haar te bellen. Zijn hand zakt van zijn oor naar zijn schoot. Zijn wens glanst als een parel in de oester van zijn hand. Hij schrikt als hij haar stem hoort en staart sprakeloos naar haar foto op het schermpje. Op de achtergrond klinkt muziek, stemmen, een feest! Een man op de achtergrond vraagt wie er belt. “Ik weet het niet lieverd… Misschien verkeerd verbonden?”

In één beweging rukt hij de kurk in stukken en er scheurt iets in ons allebei. Plotseling ben ik vrij en het verbaast me dat dat zo’n pijn doet. Steeds opnieuw neemt hij een slok uit de fles om de fantoompijn van verdwenen wensen te verdoven. Want hoe vaak hij ook belt, er wordt niet meer opgenomen. Hij is vergeten en dat gevoel ken ik maar al te goed. Mijn wraak is zuur maar hij proeft het niet. Het duurt niet lang of hij voelt diezelfde troebele nevel als ik. Een duizeling zo diep als een zwerm zwarte vogels die cirkelt op de thermiek. En in die laatste ogenblikken van mijn leven dans ik met hem terwijl hij drinkt. Ik houd hem overeind tot hij zijn auto vindt. Slippend vlucht hij voor het leven, slingerend over de buitenwegen met de open fles tussen zijn benen. Vergeefs zoekt hij de weg door de polder, zijn telefoon voor zich als een kaars in de nacht. Ik heb mijn armen stevig om hem heen geslagen. De regen sluit als een gordijn en samen dansen we die dronken rondedans. Het is al laat: de fles is leeg en er zijn geen herinneringen meer om te delen. Duizelig knijpt hij zijn ogen dicht alsof hij wil ontsnappen. Maar ik bén die duizelingen, die banden diep in doorweekte klei. Ik ben de kraai in de top van een populier die plotseling door koplampen wordt belicht. Ik ben het blik dat in zijn vel bijt als een hond. De punt achter het verhaal.

Ik heb ze geteld: die onvervulde wensen en onuitgesproken woorden. De levens die niet ten volle werden geleefd, de wijn die bederft in een afgesloten fles. Wat overblijft is bitter als het bezinksel dat aan zijn lippen kleeft. Ad fundum! Samen bereiken we de bodem en als het dan donker wordt in hem, voel ik hoe ik alles los kan laten. Zonder wensen heb ik niets meer te geven dan vergeten.

Dit artikel verscheen in mei 2021 in de 71e editie van Bouillon! magazine. Een schaamteloos mooi magazine in boekvorm over alles wat smaak heeft.

Categorieën
literaire fictie

Culinair literaire fictie

In deze verhalen speelt ‘eten’ slechts een bijrol. Het zijn complete, korte verhalen over de meest uiteenlopende onderwerpen. Het verhaal staat hier centraal.

In sommige verhalen is ‘culinair’ nog te terug te vinden. Zoals in ‘De IJsbreker’ In dit verhaal staat een verkoper van vriesproducten centraal. In ‘Nachtmerrie’ staat een recept voor paardevlees centraal. Maar vanaf de eerste regels is duidelijk dat dit geen documentaire is.

Soms is de culinaire basis al bijna onzichtbaar. Een goed voorbeeld is het verhaal ‘Vasten’ dat gaat over een culinair journaliste met een eetstoornis.

Soms is een gesprek of observatie aanleiding voor een verhaal. ‘Home is where the heart is” is een verhaal dat voortkomt uit een gesprek met een achterbuurman over duivenmelken. Hij vertelde hoe zijn vader alles over had voor zijn duiven. Maar dat als ze oud werden of slecht vlogen hij ze met smaak oppeuzelde. Bij dit verhaal en veel andere verhalen volgt dan uitgebreid onderzoek. Veel lezen en veel gesprekken. Veel lange ritten door het land om het idee te bemesten. Bijna nooit is de research terug te vinden in de tekst. Het fundament blijft denk ik onzichtbaar maar draagt de tekst.

Categorieën
Kort culinair literaire fictie

Home is where the heart is…

Het was vrijwel windstil, zodat de bedwelmende, zoete geur van de bloemen haar omringde als wierook in een kapel. Deze herfst was haar boom nog mooier dan anders. Ze was klein en had een keukentrap nodig om bovenin haar boom de verdorde engelentrompetten af te snijden. De bloemen waren wel dertig centimeter lang en hingen roerloos tussen de fluwelen bladeren. Als perfecte danseressen die ongeduldig wachtten achter de coulissen, dacht Christina. Hoe lang was het geleden dat zij zelf had gedanst? Teder streelde ze de bloem tot aan de krullende rand. Schitterende flamencojurken in adembenemend geel en maagdelijk wit. Ze ademde de geur in tot het haar duizelde en keek tussen de bladeren door naar de lucht. Boven de boerderij waren de wolken rood als de slotscène van een Disneyfilm. In het hok aan één van de schuren pikten de duivinnen koerend in hun voer.

Eten en wachten tot de doffers terugkwamen. Dat eeuwige wachten was de vloek van iedere vrouw. En elke avond staarde ze naar de lucht, maar de tijd stond stil en de wolken bleven leeg. ‘Maldição…’ vloekten haar lippen geluidloos. Ze spoog op de grond tussen de verwelkte bloemen. Toen stak ze een sigaret op en keek de rook na tot de sterren boven de boerderij verschenen. Zou hij diezelfde sterren zien, dacht Christina, waar hij nu ook was?

Autohof Lauenau

‘Just wait… okay?’ De Roemeen boog zich zwetend over de pannen. Spek, worsten en uien natuurlijk. ‘Taste-just like ze home…’ zei de man met een zwaar accent terwijl hij twee potten ingemaakte paprika in de pan leeg schudde. ‘This ies called letscho. And dies you call…rassol?’ Hij gebaarde vragend naar de augurken die hij met een zakmes in stukken sneed. Jan haalde zijn schouders op. Wat maakt het uit hoe een augurk heet in het Fries, het blijft een augurk. Jan pakte twee flessen bier uit zijn blauw-witte koelbox. Hij vond een plastic aansteker in zijn zak en wipte de dop eraf. Snel likte hij het schuim van zijn vingers en gaf de fles zwijgend aan de Roemeen. De flessen raakten elkaar en ze proostten in het Russisch. Jan leunde achterover en keek naar de lucht waar de rook van kleine barbecues en diesel onleesbare boodschappen schreef.

Lange schaduwen schoven over het asfalt. Olie in een plas water toverde een onverwachte regenboog die pas brak toen een truck voorbij rolde. Vrachtwagens zochten hun plek in het steeds veranderende labyrint van de parkeerplaats. Autohof Lauenau: de avond viel snel en koud. Even gevangen in het felle licht van de koplampen, leken de reizigers reuzen, geprojecteerd op het zeildoek van hun trucks. Sigaretten gloeiden als dwaallichten in het donker van het doolhof. Het was geen hoger doel dat Jan en de Roemeen hier samenbracht. Zoals iedereen hier deelden ze een moment in een reis zonder bestemming. Honderdvijfendertig trucks uit twintig verschillende landen die op het ritme van hun tachograaf door een grenzeloos Europa trokken. ‘Home is where the heart is.’ Een bordje dat thuis in de keuken hing. Misschien was het wel waar. Want zijn huis was nooit meer geweest dan een onderdak. Misschien had hij zijn hart wel verloren aan deze oceaan van asfalt. Aan het eeuwig en onrustig reizen. Aan deze havens waar de nomaden kookten op gasstelletjes tussen Dunlops en Continental. All weather. Altijd onderweg. Net zo lang, tot thuis niet meer is dan de geur van de soep die je deelt met een naamloze reisgenoot. ‘Soljanka!’ gromde de Roemeen tevreden smakkend. Paprika en paddenstoelen, augurken en varkensvlees. Het zoet en het zuur van het ontwortelde bestaan. Truckers zijn geen praters. Zwijgend knikte Jan toen de Roemeen een scheut wodka in zijn soep goot en lachte: ‘Just like ze home, yes?’
‘Da,’ loog Jan.

Een melkwitte duif vloog tussen de trucks door, zijn vleugels fluitend in zijn verdwaalde vlucht tussen de vrachtwagens door. Jan keek hem met een kennersblik na. Een mooie doffer, maar als hij zo laag vloog zou hij nooit op tijd thuis komen. Hij had van zijn vader geleerd dat een echte kampioen altijd honger heeft als hij vliegt. In het hok in Friesland zaten nog drie afstammelingen van Lucky White, de doffer die zijn vader in de laatste wedstrijd voor zijn dood onsterfelijk had gemaakt. Bij wijze van spreken dan. Van zijn vaders 36 duiven waren er nog maar weinig over. Een buurman nam de doffers soms mee bij een wedstrijd om in beweging te blijven. Soms droomde Jan dat hij de rust zou vinden om weer te gaan ‘spelen’ met zijn duiven. Fokken, trainen en weer wedstrijden vliegen… De gedachte verdween in het eindeloos zingende asfalt van de A2. Een monotone fado, gecomponeerd door duizenden rubberbanden. Christina had die onrust nooit begrepen. En hij had niet geprobeerd het uit te leggen. Hij haalde zijn schouders op en deed zijn klompen aan. Wat maakt het uit? Liefde is in het Fries precies hetzelfde als in het Portugees of in het Pools. Het was genoeg te weten dat Christina op de boerderij voor zijn duiven zorgde en op hem wachtte. Hoe lang dat wachten ook duurde.  

Jan had geen heimwee. Nooit. Zelfs niet toen de deur van de camper open ging. Haar grote borsten werden rood verlicht. ‘Just like ze home.’ lachte ze met een Pools accent. Toen doofden de knipperende letters ‘OPEN’ voor de voorruit en werd het nacht.

Home is where the heart is

‘Esperar, altijd wachten!’ schold Christina en ze klom de keukentrap op. De rook van haar sigaret prikte in haar ogen terwijl ze de lucht afspeurde. Onrustig koerden Jans duiven, al de hele week. Vandaag of morgen zouden zijn verdoemde duiven terugkomen. En Jan ook, beloofde ze zichzelf. De duiven pikten in hun veren alsof ze zichzelf gerust wilden stellen. Haar mes vond als vanzelf de verdorde kelken. Zij deden haar denken aan haar trouwjurk die ze droeg in het kerkje van Dokkum. Van de dienst had ze geen woord verstaan. Ze zuchtte toen ze zich de nachten in Mouraria herinnerde. Dansen in de armoedige buitenwijk van Lissabon waar ze Jan had ontmoet. Bijna twee meter lang was hij en stil als dit land waar hij geboren was. Het was liefde op het eerste gezicht, plotseling en hevig als een hartinfarct. En ze geloofde dat ze hem zou leren dansen, die stijve Hollander. Haar hart zou hem verwarmen, leiden en hij zou volgen… Maar steeds opnieuw verdween hij en liet haar achter met zijn duiven.

Haar gedachten werden onderbroken door het geluid van een enkele duif. De anderen hadden de reis niet overleefd, begreep ze onmiddellijk. Dagen te laat landde de doffer tussen de verdorde bloemen en pikte lusteloos tussen de tegels. Ze nam de vogel voorzichtig in haar handen, even wiekte hij onrustig. Veren streelden haar wangen en ogen. Nu was hij eindelijk thuis en mocht hij eten. Voorzichtig liep ze naar binnen waar het koel was. Zacht streelde ze de stoffige veren. Ze doopte haar vinger in een kommetje water en hielp het beestje drinken. Ze danste met de duif, troostte hem in het Portugees en voelde het hart van het beestje wild kloppen onder het zachte dons van zijn borst. Toen knielde ze op de tegels en vouwde haar handen alsof ze bad. Ze kneep niet, dat was niet nodig. Een groot hart vol liefde en haar twee tedere handen waren genoeg. Het duurde maar even, een paar seconden maar. Toen voelde ze het hartje niet meer en rustte de kop van de doffer op haar wijsvinger, starend naar een bordje dat boven de keukendeur hing.

De duivinnen lieten zich gemakkelijk hun hok uit lokken met een handje voer. Postduiven zijn topsporters. Zeker marathonduiven en dagfondduiven die wel 1000 kilometer vliegen of meer. Wat overbleef waren een paar donkerrode karkasjes die net op een eetlepel pasten. Neuriënd maakte ze het aanrecht schoon. Een glas water per duif. Dan uien uit de moestuin, donkerbruin gebakken met wat honing. Wortel natuurlijk, wat prei, jeneverbes en andere kruiden. Bouillon: dit recept was zo eenvoudig, dat het overal ter wereld hetzelfde moest zijn. Christina bakte het vroege eekhoorntjesbrood dat ze had gevonden onder de eiken voor het huis samen met wat port. Vier uur gaarde de bouillon van kampioenen. Maar soms is koken niet genoeg om je man thuis te houden, had haar moeder voorspeld. En daarom roerde ze onderwijl in de theepot waarin vier van haar verwelkte feeën een trage rondedans deden. Ze keek naar de lucht die nog leger leek dan gisteren, naar de bloemen die als doodstille danseressen in haar boom hingen. Zij noemde haar Engelentrompet fluisterend dievenboeket en wist dat de lijfarts van Napoleon, Brugmansia, de werking van de bloemen had ontdekt. In haar familie was al eeuwen bekend dat een paar druppels van het extract volstaan om een man zo mak te maken als een bejaarde herdershond. Christina dacht aan haar vader: een paar druppels waren genoeg om die rusteloze zeeman te veranderen in een ‘zombie’. Een huisvader zonder herinneringen aan de zee.

Een rilling van opwinding gleed langs haar ruggengraat. En als vanzelf danste ze door de keuken. Een fado vol verlangen naar haar man, ver weg op op zee. Saudade. Dit was thuis. Het wachten waard: een kaars, wat wijn en geurige bouillon. De koelte van de avond in de keuken en de stilte buiten in het duivenhok. Ze vouwde haar handen in haar schoot en glimlachte: ze zou hem nooit meer laten gaan. Plotseling stond ze op om de bouillon in de borden te schenken. Ze schikte de gebakken hartjes met wat paddenstoelen in de diepe borden nog vóór ze de zware banden op het erf hoorde. Eén bord bouillon met een borrelglaasje met jenever en de bloemen. Boerenbont met een barst. Jan Jacob was thuis, voor altijd thuis.

Dit verhaal is eerder verschenen in 
Bouillon! Het gastronomisch magazine in boekvorm. 
Categorieën
Kort culinair literaire fictie

Vasten

(Deus ex Machina)

Januari. Ze had het klooster gemakkelijk gevonden, eerst de trein naar ’s Hertogenbosch en dan bus 265. Mensen hadden haar voor het laatst gezien op een bankje bij de veerpont. Roerloos, omringd door witte duiven. Dat was geen wonder, want ze voerde hen chips uit een grote zak die naast haar stond. Om haar heen lagen versnipperde tijdschriften en boeken. Haar verhalen die de essentie steeds hadden gemist. Het was al avond toen de zak leeg was en een windvlaag hem plotseling oppakte. Even tolde hij over het pad als een speelse kater, toen vloog hij hoog de lucht in. Dat was een teken, dacht ze. Daarom was ze hier. Om zo licht te worden dat ze op een zuchtje wind weg zou kunnen vliegen. Toen verdween ze ongezien in de schaduw van de poort en haastte zich in de richting van de kapel.

Ze herinnerde zich hoe in die eerste weken in het klooster de stilte het langzaam won van de deadlines, scripts, stemmen en sterren. Nu was het april. Ze glimlachte trots: de hele vastentijd van veertig dagen had ze niets gegeten en gedronken. Natuurlijk had ze in het begin aan eten gedacht. Maar dat was ze als culinair journalist wel gewend. Een leven gewijd aan eten: aan het zoeken naar de essentie. Of beter, naar de essentie van het bestaan! Ze had het gezocht in de keukens van de hogepriesters van smaak, de monniken van het mondvermaak. Ze had hun leugens van hun lepels gelikt, geslikt als een amuse. Ze was verdwaald in een wereld die verslaafd was aan smaak. Ze beet op haar lip tot ze bloed proefde. Want nog meer dan de mensen, vervloekte ze haar lichaam dat om eten smeekte.

Want behalve de glossy’s, sterrenrestaurants en bijbehorende ambities, waren er ook de klinieken en ziekenhuizen. Haar gezicht vertrok toen ze aan de naalden dacht, het infuus dat haar voedde als ze erachter kwamen dat ze vastte. “Zevendertig jaar,” fluisterde ze gefrustreerd. Gevangen in een lijf dat hunkerde naar vet en als een peuter vrat en zeurde om te blijven leven. De eindeloze sessies waarin ze naar dat lijf moest kijken in de spiegels van psychologen. Het wikken en twee maal daags wegen. Het praten tot ze een ons woog of nét iets te weinig. Net zo lang tot ze op de zondag na haar verjaardag voorgoed verdween en voor altijd stopte met eten.

vasten

Jonnie Boer, Goossens, Sergio natuurlijk – een reis langs de sterren waarin ze proefde, schreef en zocht. Het had haar zelf tot een ster gemaakt. Maar nu glimlachte ze om die vruchteloze queeste omdat ze begreep dat de kern niet in hun keukens lag maar hier in het klooster, in stilte. Want híer kon ze hem horen, in de honger die groot en leeg was als een woestijn.

Vandaag was het de donderdag voor Pasen. De dag van het laatste avondmaal. Het water liep haar in de mond bij het woord. Maar ze mocht niet eten. Veertig dagen vasten. Veertig dagen in de woestijn, dat had hij zelf gezegd.

Ze streelde het koekje met trillende vingers. Het was een eenvoudig recept: een beslag van meel en water dat een nacht moest rusten en de dag daarna gebakken werd. Voorzichtig legde de voormalig culinair journalist een stapel van zestig vellen ouwel op een draaischijf en liet langzaam de boor zakken. Zestig perfect ronde hosties die aanvoelden en smaakten als stevig karton. Een duizeling en de bakkerij begon om haar heen te draaien.
“Het lichaam van Christus,” noemde de priester de hostie. Hilde fronste diep toen ze zich opeens de man in de witte jurk herinnerde. Ze was dertien, het jaar dat ze leerde dat alle mannen beesten zijn en op school dat iedereen afstamt van apen. En het was het jaar dat ze hem voor het eerst hoorde. ’s Nachts alleen in bed, als hij vertelde over het brood dat op haar tong in een lichaam veranderde. Een druppel zweet gleed van haar voorhoofd en spatte glinsterend uit elkaar op de marmeren tafel. Dát was een wonder. En zo was Maria zwanger geworden, vertelde hij. Ze was een meisje nog, maar ze kon proeven dat het waar was. “Ben je daar?” fluisterde ze. Ze gleed onderuit en greep de tafel. Haar voorhoofd raakte de grond als een stier in de ring. Toen werd het donker.

De zusters stonden om haar heen, de jongste van hen werd volgende week zeventig. Hun witte gewaden ritselden als beukenblaadjes toen ze elkaar aankeken en bezorgd haar voorhoofd streelden. Het leken feeën uit een sprookje. Maar te groot, dacht Hilde, en veel te zwaar om een engel te zijn.

“Ze heeft koorts,” stelde één van hen vast. De anderen knikten. “We kennen haar niet. Voel eens hoe mager ze is!” Net na de jaarwisseling hadden ze haar in de kloosterkapel gevonden. Een retraite had ze het genoemd, maar natuurlijk had ze gelogen.  “Ze is ziek…” fluisterde de jongste van hen. “Laten we een dokter bellen alsjeblieft.”

Ze drukte een glas tegen Hildes lippen maar ze schudde haar hoofd en duwde het glas weg.

Het laatste avondmaal

Ze lag op haar rug. Een bedlampje verlichtte de balken in het plafond. Een bord stond onaangeroerd naast haar. In de hoek van het raam fladderde een nachtvlinder die de weg naar buiten zocht. Een balk kraakte en opeens voelde Hilde dat ze niet alleen was. Ze liet zich van het bed op haar knieën glijden en even was het of iemand zacht haar schouder aanraakte.  “Je gedachten moeten nog lichter worden als je bij me wilt zijn,” fluisterde de stem die ze zo goed kende. Ze hield haar adem in en kneep haar ogen dicht. “Lichter dan lucht. Zo licht dat je kunt ontsnappen aan deze wereld.” En in een flits, na al die jaren wist ze wat ze had gezocht.

“Ben je daar, liefste?” fluisterde ze. “Ben je daar eindelijk?” Duizelig stond ze op en wankelde haar kamer uit. Het was alsof ze haar voeten de grond niet raakten, alsof ze over water liep. Haar lichaam was nu bijna verdwenen, haar gedachten doorzichtig.
De deur van de hostiebakkerij kraakte. Minuten lang stond ze als betoverd in het licht van de bijna volle maan. Haar jurk gleed van haar af en bleef liggen als de cocon van een reusachtige nachtvlinder. Naakt stond ze tussen de machines en de voorraad. Haar lijf hunkerde ernaar om aangeraakt te worden, smeekte om nooit meer alleen zijn.  Zacht raakte ze haar voorhoofd aan. Ze kreunde omdat het was alsof ze zijn lippen voelde op haar hete huid. Dan haar borsten, haar tepels, eerst links dan rechts. Haar lichaam gloeide, beefde. Haar vingers streelden het wafelijzer waarin de hostie werd gebakken.  “Engelenbrood,” fluisterde ze. Gods lichaam uit een machine.

En met haar ogen gesloten graaide ze de honderden hosties van de droogrekken. Ze scheurde de zakken open die voor Pasen de wereld in zouden worden gestuurd. Honderden hongerigen die kwijlend en knielend tevergeefs zouden wachten op dit brood.  Ze trok een rek omver en haar lichaam werd bedolven onder de perfect ronde hosties. Met handenvol stopte ze de ouwel in haar mond. Zijn stem, zo dichtbij! Ze schranste tot de laatste verhalen verdwenen en eindelijk dat perfect ronde gat in haar ziel gevuld was. Ze huilde omdat ze voor het eerst van haar leven niet alleen was. En opeens hoorde ze hem zeggen: “Eet, dit is mijn lichaam…”

Deus ex machina, een wonder

Ze struikelde het klooster uit dat als een vierkant om de binnenplaats gebouwd was. Dat vierkant stelde de wereld voor, je lichaam. Dat hadden de zusters verteld.  In het midden van de binnenplaats was een put: de cirkel waarvanuit de stilte het klooster vulde. Hoe vaak had ze niet hunkerend vanuit de gang naar dat midden gekeken. Gevoeld hoe waar het was. Hoe vanuit haar eigen hart haar lijf zich vulde met die ene stem. Maar nu stroomde de put over. Colonnes van honderdduizenden sprinkhanen kropen met  knarsende kaken uit de diepte. Ze waren bijna zo groot  als een vinger en kropen knersend over elkaar heen als miniatuur pantservoertuigen. Traag door de koelte van de nacht vlogen ze op om een paar meter verder weer te landen, kruipen, ritselen. Als zand in de woestijn.

Ze was klaar. Ze knielde bij de put en voelde het grind niet meer. De insecten die onder haar knieën kraakten en haar benen en buik bedekten. De honger was verdwenen. Ze staarde naar beneden tot ze in die spiegelende diepte de sterrenhemel zag. Haar lichaam was voldaan en haar ziel werd licht als een lege zak chips. En op dat moment verloren haar gedachten ieder gewicht en steeg ze op. Een centimeter eerst,  haar hakken weifelend, nog net boven de stenen. Maar al snel steeg ze op in de richting van de sterren. Glimlachend zag ze het klooster verdwijnen. Verbijsterd zag één van de zusters haar opstijgen langs haar raam – nog geen halve meter van haar vandaan. Nog jaren herinnerde ze zich de rode putjes van het grind in haar voetzolen.

Toen ze haar vonden, trok juist een vallende ster een heldere streep door de nacht. Natuurlijk wisten de zusters wel dat zoiets niet meer was dan een steen was die verbrandde tijdens zijn val. Toch glimlachten ze toen ze haar lichaam moeiteloos optilden en naar binnen droegen. Voldaan en vervuld van een vreemd geluk. Alsof hun eigen hart op dat moment wat lichter werd.

Dit verhaal is eerder verschenen in 
Bouillon! Het gastronomisch magazine in boekvorm. 

Categorieën
Kort culinair literaire fictie

Nachtmerrie

Van een veilige afstand, met twee banden in de berm, kan ik de boerderij bekijken. Als ik een paar stappen in de richting van de boerderij loop, kraakt een dun laagje ijs dreigend in de diepe tractorsporen waarin water is blijven staan. Een lelijker land dan dit bestaat niet, er zijn alleen geen dichters om het te beschrijven. De klei van de omgeploegde akkers is nat en zwaar als de wolken. De boerderij in de verte lijkt de romp van een roestig schip dat schipbreuk heeft geleden. Kilometers zeebodem, gevierendeeld in de rechte lijnen, haakse hoeken en waar de horizon zou moeten zijn: Emmeloord. Als historica weet ik als geen ander dat tijd niet alle wonden heelt. En hoewel ik ’s nachts nog steeds niet kan slapen, helpen de jaren om je verleden beter te begrijpen.

Alles wat je meemaakt in dit leven, wat je doet, is te verdelen in liefde of angst. De eerste keer dat ik hier stond, vijfendertig jaar geleden, kon ik dat niet weten. Ik denk dat ik dat drie jaar later leerde, toen ik een jaar of dertien was. Een verlegen meisje dat ‘s winters zes weken werkte op een boerderij in de Noordoostpolder. Mijn moeder werkte zoals zoveel andere Polen in de visafslag op Urk. Ik ‘logeerde’ bij Baukje: voor tien gulden per dag maakte ik het huis schoon, deed de was, vouwde handdoeken zo recht als ik kon en zorgde voor haar gehandicapte dochter Isala. En ik verzorgde de pony’s en paarden met alle liefde van dertienjarig meisje: ik voerde ze, borstelde ze en liep met hen door de wei. Ik praatte Pools met ‘mijn paarden’ en ik voelde dat ze mijn gefluisterde monoloog begrepen.

Dagdroom

Tweeënveertig waren het er dat laatste jaar, dat weet ik nog. Tweeënveertig pony’s en kleine paarden die eigendom waren van Ponypark Slagharen. Van Pasen tot eind oktober hadden ze met kinderen op hun rug door het pretpark gesjokt. Zeven dagen per week precies datzelfde rondje. Omdat het park in de winter gesloten was, zorgde Baukje tegen betaling voor de paarden. En bij haar in de wei sjokten ze in precies diezelfde cirkel. Stapvoets, dag in dag uit, hun kop gebogen. Tot om zeven uur precies, hun hoofden nog dieper zakten en ze plotseling bleven staan. Roerloos in een kring, midden in de wei. En iedere avond stond ik daar in de kou en sloeg mijn arm om de hals van mijn allerliefste: een naamloze Haflinger. Met mijn wang voelde ik zijn hart kloppen in zijn hals en met mijn vingers zijn spieren. En ik fluisterde in zijn oor hoeveel zakgeld ik gespaard had en hoe vaak ik nog Isala’s haar moest kammen voor ik hem zou kunnen kopen en we weg zouden gaan. Samen. Dat was ware liefde, want zo’n meisje was ik toen nog.

Dat was een dagdroom en die eindigen altijd als het donker wordt. Elke nacht gingen de deuren en ramen op slot, met hangsloten en een balk bij de deur. En soms hoorde ik hinniken en als ik naar beneden stormde, stond steevast Baukje onderaan de trap. ‘Slapen Miroslawa! Het is niks…’ En dan, als ik ’s ochtends de paarden telde miste er altijd één. “Ontsnapt,” zei Baukje toonloos en nooit mocht ik zoeken, geen enkele keer.

De man buiten de deur

Angst. Baukje en ik zaten tegenover elkaar in de keuken. Isala staarde naar het plafond. Ik veegde haar mond af met een doekje. Ik herinner me de witte tegels aan de muur en de vlekken in het tafelblad. Een urinegeel lint waarin vliegen kleefden. Een paard hinnikte, Baukje keek me doordringend aan en schudde haar hoofd. Nog een keer, dan werd het stil. Ik hoorde mijn adem en een bromvlieg die worstelde om los te komen. Onwillekeurig dacht ik aan de crucifix in het kerkje van Witkovska. “Eten.” Ik staarde naar de blauwe bloempjes op de rand van het bord. Gebakken maispudding, polenta noemde ze dat. Daarop een zoete, zwarte ragout die naar kaneel en nootmuskaat rook. “Miro, breng die pan naar de caravan,” zei Baukje.  Ik kan me haar gezicht niet herinneren, alleen die grote handen die een pan naar me toeschuiven. Een zwarte BK-pan met een theedoek erom. Ik staarde bewegingloos naar haar handen en het leek of ik stikte. “Miroslawa? Breng die pastissàda naar de caravan!” We aten elke dag Italiaans, dat moest van de man in de caravan. Dat heeft Baukje niet verteld, dat had ik begrepen. En ik dacht dat de man in de caravan de vader van Isala was. Want ik voelde dat ze bang waren voor ‘Marco’, net als de paarden.

Buiten vroor het, de paarden stonden bewegingsloos in een kring in de dichte mist. In het licht van de maan zag ik alleen hun schouders en hoofden. Ze bewogen niet en keken me niet aan, ook niet toen ik hardop tellend begon te rennen. Tot mijn schoenen doorweekt waren en ik snikkend op de grond viel. Negendertig, iedere keer dat ik telde. Mijn Haflinger miste. De pan met pastissàda lag in de sneeuw met de theedoek over de dampende ragout als een laken over een lijk.

Het vlees van een paard

489 na Christus, zo oud is het recept. Lang geleden maakte een chef Pastissàda de Cavàl op mijn verzoek. Drie volle dagen duurde het tot het paardenvlees samensmolt met de kruiden en sjalotten tot een volmaakte, dikke saus. Het is één van de weinige klassieke gerechten waarvan de geschiedenis bekend is. Na een dagenlange strijd werd Verona bevrijd door Theodorik de Grote, de koning van Italië. Het slagveld ligt dan bezaaid met kreupele paarden en de vorst beslist dat de hongerige bevolking zich moet voeden met de karkassen. Paardenvlees bederft snel, wat het gebruik van de kruiden en wijn verklaart. Paardenvlees wordt maar weinig gegeten. Tenminste, als je de illegale toevoegingen in diepvrieslasagne niet meerekent. De belangrijkste reden zal zijn dat het lang verboden is geweest door de katholieke en de joodse kerk en de moslims. Het Bijbelboek Leviticus verbiedt het bijvoorbeeld en in 732 beslist Paus Gregorius III dat paardenvlees onrein, heidens en barbaars is. Tot de hevige armoede in 19e eeuw het paard weer op tafel bracht, werd het eten van paard in Frankrijk zelfs bestraft met de dood. Dat is de kennis van nu, maar als de herinnering terugkomt, voel ik mijn hart in mijn keel.

Wraak

Tussen de bomen zag ik de verlichtte ramen van de caravan. De raampjes waren beslagen, maar ik hoorde het bonken van zijn voetstappen op de planken. Natuurlijk was ik bang. Elke keer dat ik een pan naast dat trappetje zette en iedere nacht dat ik de paarden hoorde. Maar elke nacht kun je kiezen tussen liefde en angst. En toen ik door de sneeuw in de richting van de caravan kroop, koos ik liefde. Liefde die zacht is als de huid achter de oren van een Haflinger… En opeens lag hij daar tussen de takken in de sneeuw. Als iets zonder waarde, zonder leven. Ik raakte hem niet aan, maar ik kroop naar hem toe tot ik hem in zijn ogen kon kijken. En ik staarde in die grote, uitdrukkingsloze ogen tot ik mijn houvast verloor en het leek of ik viel.

De caravan beweegt als een roofdier in zijn slaap. Onder de caravan liggen tijdschriften met blote dames die vlamvatten zodra ik mijn aansteker erbij hield. Rook brandt in mijn ogen en ik denk dat ik een paard hoor hinniken. Dan staat opeens de caravan in lichterlaaie. Iets ontploft en ik rol weg van de hitte. De man rent naar buiten, brandend, en ik ruik verschroeid vlees. Hij schreeuwt in een taal die ik nog nooit heb gehoord en in het Pools roep ik de paarden. Rook mengt met mist. En dan hoor ik hun hoeven. Ik kan ze niet zien. Maar ik hoor hen en hun hek is niet meer dan een draad. Ik hoor de hoeven hard op de bevroren bodem van de zee. “Czyste!” Ik hoor hen hinniken, allemaal! Mijn zeepaarden in de polder. Nog dichterbij… De man schreeuwt, hij kraakt… dan kermt hij kort en wordt het stil.

Avondmaal

Het is 2017 en natuurlijk trillen mijn vingers als de ingrediënten rangschik op mijn schrijftafel in Hotel-Restaurant  ’tVoorhuys in Emmeloord. Ik ben volwassen nu en vanavond dineer ik alleen op mijn kamer. De grote zoute bessen heb ik net als de ansjovis speciaal uit Italië laten komen. Een pepermolen en zout.  En tijd, een slapeloze nacht de tijd om ieder vezeltje vet, iedere zenuw van het vlees te schrapen. Om me ieder detail te herinneren van die nacht dat ik een man vermoorde. Of iets dat allang geen man meer was. Verbrand en vertrappeld door een kudde paarden. Mijn paarden. Mijn moeder vertelde me van jongs af aan dat ik afstam van de Tartaren. Het prachtige ‘Anatomie van de Melancholie’ uit 1621 verhaalt dat mijn voorvaderen rauw paardenvlees aten. In de 19e eeuw zouden avontuurlijker artikelen suggereren dat zij het taaie vlees onder zadel malser maakten. Ik ken mijzelf. Ik ben afstammeling van het volk dat gevreesd werden voor wat ‘de dans van de Tartaren’, heette: dodelijke acties te paard. In de dertiende eeuw was het woord Tartaar gelijk aan het woord terreur: angst. En zevenhonderd jaar later dagdroom ik van mijn eerste liefde. Een paard. En als de nacht valt in Emmeloord, voel ik hoe de angst van het verleden transformeert in chevaline. En vannacht kies ik volmondig voor de liefde: de historische tartaar van paardenbiefstuk. Haflinger om precies te zijn.

Dit verhaal is eerder verschenen in 
Bouillon! Het gastronomisch magazine in boekvorm. 
Categorieën
Kort culinair literaire fictie

IJsbreker

Ik zit daar maar, op een stoel in de keuken, met mijn gezicht tegen de magnetron gedrukt. Een blok tagliatelle met Toscaanse kipfilet draait trage rondjes, als een danseres in een speeldoosje. Ik ben nooit in Italië geweest en ik weet niet veel van eten. Wat doet het ertoe hoe iets smaakt? Wat ik eet, komt uit de professionele vriescel die in de bijkeuken is gebouwd. En elke avond zit ik met mijn bord op schoot in mijn cel. Een wereld zonder geluiden, geur of smaak. En ik noteer trouw de temperatuur van de cel in een map, min 28.

Noordwolde

“Hoi, ik dacht al dat jij het was!”
Herman draaide zich naar haar om. Natuurlijk wist hij dat ze er zou zijn, maar toch schrok hij toen hij haar herkende.
“De enige zonder hond op de dijk,” zei ze hijgend. Ze wees naar zijn felrode jas. “En je jas natuurlijk.”
Herman knikte en keek naar haar hond die schapen opjoeg. Met hun handen diep in hun zakken liepen ze samen over de dijk. Rechts van hen, zover je kon kijken, de omgeploegde akkers. Maar Herman zag alleen haar ogen en een lok hennarood haar die onder haar muts vandaan kwam.
“Kom je volgende week nog?”
Hij knikte. “Donderdagmiddag. Half één bij jou voor de deur in Zuidhoorn, vaste prik.”
“Fijn,” lachte ze. “Half één, dat onthoud ik wel.”

Het was eb en het wad glansde als een aluminium ovenschaal. Drie vogelaars staarden bewegingloos door hun kijkers naar de meeuwen op de kwelder. Weer viel het Herman op hoe klein ze was. Er hing een druppel aan haar neus. Ze lachte en het was of haar hele gezicht knipoogde. Ze vertelde over de tekeningen waar ze aan werkte, een kinderboek natuurlijk. Een verhaal over poolreizigers, iets met een ijsbreker. Het was fijn om naar haar te luisteren en naar het verre blaffen van haar hond.
“Heb jij eigenlijk een voornaam, of heet je Vries?” Ze wees lachend naar het logo op zijn jas: dé VriesVakman.
“Ik heet Herman.”
Hij voelde haar vingers om de zijne. Warme, kleine vingers. Ze deed haar muts af en schudde haar haren los.
“Hallo Herman, ik heet Lydia maar dat wist je al.” Ze wreef rillend haar handen. “Koud, vind je niet?”
Hij haalde zijn schouders op, een zwart-witte vogel vloog voorbij.
“Nog eventjes,” lachte ze, “dan is het weer lente, ik kan niet wachten!”
“Het is pas november…”

Ze wees naar een omgebouwde boerderij met een uithangbord. “Snert, de lekkerste van Groningen!” zei ze en keek hem vragend aan. Herman voelde de kou door de zolen van zijn laarzen trekken.
“Gewoon om even op te warmen?”
Beslist schudde hij zijn hoofd. De kou voelde als een fundament, als iets waar je op kon bouwen.
“Ik heb al gegeten.”

Middelsum

Ik ben iemand die een dag langs de Waddenzee loopt en thuis geen schelpen in mijn jaszak vindt. Ik neem geen verrekijker mee en kijk naar de vogels zoals ze naar mij kijken: onbewogen en zonder een blik van herkenning. De vogels kunnen niet zien wat ik denk. Lydia weet niet wat ik voel als ze me vraagt samen te eten. Als ze haar haren losschudt, vlammend als een kampvuur op een grijze dag, kraakt er iets vanbinnen. Mijn gedachten glijden in een wak en ik kan alleen nog maar sprakeloos naar mijn laarzen staren. En toch rijd ik elke dag mijn route langs de dorpen, alsof er niets is gebeurd. De Jammer, Doodstil, het zijn namen die iets beschrijven van de peilloze leegte van dit harteloze land. Ik kom op vaste tijden en rijd langzaam zodat mijn vaste klanten me kunnen zien. Iedere twee weken dezelfde route, vaste prik. Provençaals vispannetje, kaassoufflés en gourmetschotels. Zonder Lydia zou er niets veranderd zijn. Maar sinds ik haar heb ontmoet, lig ik elke nacht wakker. Doodstil, als een drenkeling. Sinds ik haar ken, loopt langzaam de temperatuur in mijn vriescel op.

“Of je ook banketletters hebt?” herhaalt een man nors.
“Sorry?”
“Bankètletters…”
Ik schud mijn hoofd en bijt op mijn wang tot ik bloed proef. “Ik heb nóóit banketletters!”
“Maar het is bijna Sinterklaas!”
“Nooit” snauw ik.
In Groningen is zelfs de kortste weg naar huis een omweg. Het is nacht als ik de temperatuur in mijn vriescel noteer, min 26.

Zuidhoorn

“Herman de Vriesvakman!” lachte Lydia. Ze deed een stap opzij om hem binnen te laten. Zacht deed ze de deur achter hem dicht, als een punt na een zin. Herman stond in haar kleine woonkamer, zijn kin op het koude karton van de dozen. Haar hond lag op een geruite deken voor een houtkachel. De bank was bedolven onder een berg kussens. In een hoek stond een grote werktafel met vellen papier, jampotten met inkt en kwasten. Boven de tafel hing een tekening van een zeilschip, gevangen in een zee van ijs. IJsschotsen torenden hoog boven het scheepje uit.
“Het gaat over een kapitein die vastgevroren zat,” vertelde ze. “Hij moest máánden wachten tot het lente werd.”
Ze stond dicht naast hem, haar been tegen het zijne. “Ken je het verhaal? Het is heel spannend!”
Zijn bril besloeg van de warmte. De tekening van de ijsbreker vervaagde. Hij slikte krampachtig. “Nova Zembla.”
En plotseling rook hij het, zijn ogen werden vochtig voor hij het herkende.
“Wil je thee? De hele dag in die koelkar, je hebt het vast hartstikke koud…” Haar gezicht was zo mooi als een prentenboek. Herman schudde zijn hoofd. Zijn vingers trilden. Hij rook het! En hij kon december bijna proeven. En in een flits: Sandra”s gezicht in de sneeuw.

“Ik heb iets gemaakt…” zei Lydia blozend. Een ogenblik later stond ze naast hem, haar handen gestoken in gehaakte ovenwanten. “Een banketletter, ik heb geprobeerd er een “H” van te maken, zie je wel? Het is vanavond Sinterklaas, was je dat vergeten?” Ze keek hem aan, ze stond zo dicht bij hem. “Hij is nog warm…”

Het was die geur die de herinnering tot leven wekte. Hij was gewaarschuwd, maar toch, opeens, scheurde zijn hart. Zijn hart dat lang geleden gebroken was en waarvan beide helften aan elkaar gevroren waren, zonder dat hij het wist. Hij kreunde. Het scheurde met het geluid dat meeuwen maken. Herman rende naar buiten, de kou in, zonder om te kijken.
“Vanavond is het Sinterklaas…” zei Lydia. Alsof hij dat zou kunnen vergeten. Zijn jas rook naar speculaas, naar amandelspijs en boter. Hij betastte zijn gezicht en voelde verbaasd hoe de tranen over zijn wangen liepen. Alsof het plotseling lente geworden was en hij nu vanbinnen langzaam smolt.

Oosteinde

In de keuken mail ik de bestellingen naar kantoor. Ik maak de magnetron schoon en noteer de temperatuur van mijn vriescel. Min 21, alweer vijf graden warmer dan de dag ervoor. Ik maak me zorgen dat er iets mis is, álles kan bederven als het warmer wordt. Hier, in mijn cel, staat alles stil. Geuren, herinneringen kunnen hier niet komen. Het zoemen van de vriescel lijkt op de stilte van drie jaar geleden, toen Sandra de deur achter zich dichtdeed. Toen ik verdoofd voor het raam stond en haar nakeek terwijl ze naar de Volvo liep. Ik weet nog hoe ze omhoog keek, vlak voor ze in de auto stapte. Sneeuwvlokken dansten als motten rond de straatlantaarn.
“Het spijt me Herman, ik ga bij je weg.” De rest was al gezegd.

Sinterklaasavond, drie jaar geleden. Ik stond daar maar, roerloos, met mijn benen tegen de verwarming, mijn gezicht tegen het koude glas gedrukt. De banketletter in de combimagnetron. Mijn vinger die bij wijze van afscheid geluidloos een enkele letter tekende in de ijsbloemen op het raam. Alleen de letter S. Ze is verdwenen, die nacht. En ik weet hoe ik achter haar aan reed, uren later. Haar bandensporen in de verse sneeuw. Hoe de koplampen van mijn vriesvakwagen het wrak van haar Volvo verlichtten. En ik weet nog hoe vreselijk koud ze was, toen ik haar tien meter verderop op de akker vond. Haar geur was al verdwenen toen ik ruimte voor haar maakte achter in mijn wagen. Oosteinde, ik zie nog de stapel dozen in de berm toen ik haar naar huis reed. Dozen banketletters met amandelspijs, ik heb ze diezelfde nacht nog opgehaald. Ik heb alles hier bewaard, alles wat van waarde is. En sindsdien controleer ik de temperatuur in mijn koelcel. Elke avond, vaste prik.

Nauwkeurig tel ik de dozen en noteer de aantallen in de voorraadlijst. Roerbakschotels en stamppot, appeltaart voor als er iets te vieren valt. Achter in de cel de hoge stapel dozen diepgevroren banketletters. Alleen de letter S. Ze zijn al drie jaar over datum. Bederven doen ze niet, niet hier. Daarachter slaapt Sandra als Doornroosje, al drie jaar lang.

“Lente” fluisterde Herman en ging op het krukje zitten dat hij gebruikte om de bovenste rekken te bereiken. Doodstil, met zijn rug tegen de dozen, keek hij naar de ijsbloemen op de wanden. Als een kapitein op een schip. Min 20. Hij dacht aan sneeuw en deed zijn bril af. Toen sloot hij zijn ogen en wachtte tot het weer winter zou worden.

Dit verhaal is eerder verschenen in 
Bouillon! Het gastronomisch magazine in boekvorm. 
Categorieën
Kort culinair literaire fictie

Vergeten groente

Het bed op klossen met de kuil in zijn kussen. Het stof op de kast. Op het dressoir: droogbloemen en natuurlijk haar portret. Dan nog dichterbij, de vloerbedekking bij de stoel waar hij het liefste zat. Tot op de draad versleten omdat hij zijn rechtervoet door Parkinson niet meer stil kan houden. En in de keuken, kleurrijke rietjes in een mok met een portret van prinses Beatrix. Groene limonade wacht ongeopend op kleinkinderen die al jaren studeren. En natuurlijk goudgerand servies en stápels blauwe pannen. Aan een plank hangt de menukaart van ‘Zorgeloos’, de thuiszorg. ‘Smakeloos,’ hoor ik mijn opa in gedachten mopperen ‘En nóóit eens iets lekkers.’ Bijna beschuldigend boven het menu, de kookboeken en schriften uit de tijd dat mijn oma kookles gaf op de huishoudschool. Smaak verdwijnt zoals kleur vervaagt. De kaften hebben dezelfde kleur als de peterselie en dille die als stof aan het glas van de kruidenpotjes kleven. Zeven jaar zijn ze niet gebruikt, omdat mijn opa nooit zelf leerde koken. Onaangeroerd, als museumstukken.

Soep van de dag

Mijn opa’s hoofd is als zijn keuken, een leven verzameld in kasten en laden. Alles had zijn eigen plek en een eigen verhaal. Alles stond stil, tot iemand het huis begon leeg te halen en dingen verschoven, spullen verdwenen in zakken en dozen. Tot hij niet meer thuis was in het museum waar hij woonde. Tot een week geleden woonde hij in huis met zes anderen en een slot op de deur. De code was de datum van de dag. Dat was genoeg, want voor de bewoners was vandaag al lang geleden verdwenen.

Zo ging dat, mijn opa zat tussen zijn zes lotgenoten aan tafel en keek me aan. ‘Zeg, wat is de bedoeling?’ Ik legde hem uit dat we samen koken. Gerechtjes om weer iets te kunnen zien, ruiken en proeven van het verleden waarvan de snippers aan hun versleten handen kleven. ‘We maken hete bliksem, met twee soorten appels…’ Ik wees naar de stapel op tafel. Hij probeerde met zijn trillende vingers het schilmesje te pakken. Toen fronste hij kwaad en duwde het mesje van zich af. ‘Jij loopt hier zeker stage! We eten toch niet alleen appels?’ Ik schudde mijn hoofd. Een oude dame die kleuterjuf was, lachte haar gouden gebit bloot. ‘Jij bent zelf ook wel een hete bliksem hoor!’ Haar buurvrouw schudde haar hoofd terwijl ze razendsnel appels schilde. ‘Let maar niet op haar hoor’ Ze boog zich voorover en fluisterde: ‘Dement snap je, knettergek!’. We schilden de appels, het zoet en het zuur. We schilden terwijl de bewoners hun herinneringen oppoetsen tot ze zo flinterdun versleten waren als het mesje van mijn oma dat werkeloos voor mijn opa lag. Bernlef beschreef het van binnenuit in Hersenschimmen, talloze artikelen verschenen over Alzheimer. Bij dementie begint het afscheid vaak ver voor het overlijden. Ik had balkenbrij gemaakt die week omdat ik weet dat hij dat vroeger graag at. En toen ik de plakken in de reuzel liet glijden, stond hij naast me. ‘Weet je dat nog, dat oma vroeger balkenbrij maakte?’ vroeg ik en ik vertelde hoe ze in de keuken stond. Zwetend, met een rood hoofd, roerend in een enorme geëmailleerde pan. ‘Weet je dat nog, opa?’ Hij boog zich over de pan en snoof de geur op. Vet, meel, spek en orgaanvlees. Hij keek me aan en schudde teleurgesteld zijn hoofd. ‘Dat ben ik vergeten…’

De kringloop

De papieren heeft hij jaren geleden al geregeld, die liggen bij zijn advocaat. Ze beschrijven tot in detail wat hij wil met zijn spaargeld, maar ook met zijn leven. Maar op het leeghalen van zijn huis ben ik niet voorbereid. Ik merk dat ik meer lawaai maak dan noodzakelijk, als ik de pannen in een doos sorteer. Kringloop, staat erop in beschuldigende kapitalen. Iedere voorraadbus, ieder theelepeltje vertelt flarden van een verhaal waarvan ik de meeste niet kan verstaan in de verstikkende stilte van het huis. Ik open de klemmende laden, voor het eerst in jaren soms, en sorteer de sporen die ik vind in vingerhoedjes, naald en draad. Gestreken theedoeken, een lepeltje Buisman voor in de koffie. Het is een zorgvuldig geconserveerd sediment van een leven, waaruit de ziel verdwenen lijkt. Een recept voor zoetwatervis in schoonschrift valt uit elkaar als ik het probeer te lezen. Uren zit ik aan de keukentafel en blader door de schriftjes. Zuring met krenten, schorseneren met dubbel ‘e’. Het zijn gerechten die zoals ik die in de afgelopen weken maakte voor hem. De groenten die hij vergat. Ik stoofde zijn spruitjes drie kwartier, in de hoop dat hij in zijn geheugen mijn oma weer zou ontmoeten. Ik kookte asperges met boter en noemde het slier. Omdat herinneringen zo vaak zijn gekoppeld aan geur of aan smaak. Wat kon ik meer doen dan koken, als mijn opa’s herinneringen niet meer zijn dan toevallige ontmoetingen in een verwarrend labyrint.  Zelfs als de kasten van je leven overhoop zijn gehaald, zelfs als je lichaam versleten is en het eigenlijk niet meer hoeft, blijft eten van levensbelang. Voedingsstoffen veranderen in veiligheid, smaak in samen-zijn. De gerechten van vroeger voeden nog steeds, maar al lang niet meer de maag.

Amuse

Sinds iets meer dan een week woont hij niet meer in de woongroep. Ik kook niet meer voor hem sindsdien, in het hospice wordt gekookt door vrijwilligers, een kookclub zoals ze het zelf noemen. Bijna iedere vrijwilliger heeft een eigen specialiteit. De menukaart is een prachtige plattegrond van de samenleving: van stamppot tot Indonesische gerechten. Kibbeling komt bij de visboer vandaan, de rest wordt zelf gemaakt. Stoofperen en soep worden het meest gegeten, dat soort dingen. Teder kijk ik naar die oude man die op het terras in de zon een lepel soep eet. Het duurt uren. ‘Lekker?’ vraag ik zacht en met een brok in mijn keel. Even verwacht ik dat hij zal vragen of ik hier stage loop. Maar dan kijkt hij me zwijgend aan en steekt zijn duim op. Hij zegt bijna niets meer, mijn opa, en hij eet nog minder. ‘Dat is normaal in het hospice’ legt een van de vrijwilligers uit. Patiënten in de laatste dagen van hun leven eten nog maar mondjesmaat. En dat is precies hoe hier wordt gekookt. Een paar lepels soep in een mooi koffiekopje, een gehaktbal ter grootte van een pingpongbal. Aan de opmaak van het gerecht wordt evenveel aandacht besteed als aan de smaak. Liefde gaat hier lang niet altijd door de maag. Soms gaat eten via een sonde en is de maaltijd alleen nog maar een lust voor het oog. Zoals de toetjes die niet groter zijn dan een amuse. Hier, in het hospice, gaat het zelfs niet meer over smaak.

Dessert

De vrijwilligers hebben meer aandacht voor hun gasten dan een sterrenrestaurant. ‘Je opa heeft geen honger meer. Hij hoeft niets meer, denk ik,’ zegt een dame die het dienblad van de tafel pakt. Even legt ze haar hand op zijn schouder. ‘Het hoeft niet op. Voor sommigen is het genoeg om er alleen maar naar te kijken. Wij zijn geen koks zoals jij, onze keuken is alleen gericht op kwaliteit van leven,’ lacht ze. Het borrelglas wijn blijft onaangeroerd op tafel staan en ik houd de doos sigaren in mijn binnenzak. Het hoeft niet meer. Als laatste zonnestralen na een lange dag, zo kijkt hij me nog heel even aan en valt dan in slaap. Hij wordt niet wakker als ik hem in bed leg. En als ik naar huis rijd, zie ik in mijn binnenspiegel de dozen met pannen. Het woord kringloop heb ik doorgestreept. Ik neem ze mee naar huis, mijn oma’s recepten. Ik houd ze bij me, heb ik besloten. Nog een paar jaar, terwijl ik langzaam afscheid neem.

Thuis blader ik door het gemarmerde boekje van mijn oma. Ik denk dat ze het gebruikte toen ze kookles gaf op de huishoudschool. De bladzijden zijn gevlekt als mijn opa’s handen. Het papier voelt aan als zijn droge huid. Vanmiddag heb ik gepraat met de huisarts, over het recept voor afscheid. Dat had hij zo gewild. Gezien zijn toestand lijkt een injectie overbodig. Secobarbital in een lage dosering volstaat en kan bovendien ‘oraal worden ingenomen’. Dat is de taal van medici. Maar ik ben geen medicus. Ik ben kok en bovenal kleinzoon.  Hij kan het eten en ik kan het koken in een blauw-geëmailleerde pan, dat is wat ze bedoelen, denk ik. En ik weet al wat ik ga maken maar ik wil precies weten hoe zij het deed. Moeilijk is het niet, al heb ik geen paardenharen zeef. Ik schil de appels zorgvuldig, met het mesje van mijn oma. ‘Hoewel dat schillen minder voedzaam is, en de hoeveelheid kleiner’ volgens mijn oma’s recept. Vandaag kook ik voor mijn opa. Voor het laatst. Want morgen komt zijn huisarts voor het laatste dessert dat hij jaren geleden al bestelde. Appelmoes.

Dit verhaal is eerder verschenen in 
Bouillon! Het gastronomisch magazine in boekvorm.