Categorieën
Kort culinair literaire fictie

Heilige Boontjes

Doodstil zit Laurent Poitier in zijn stoel en staart naar zijn handen. Het is alsof hij iets belangrijks vergeten is dat hij hoopt terug te vinden in die diepe, zwarte lijnen die het verhaal van zijn leven vertellen. Alles staat op dezelfde plek. De asbak en het glas met een barst in de voet. Het raam waardoor hij de heuvels en de kale kastanjes ziet. Er lijkt niets veranderd, maar tóch klopt er op de één of andere manier iets niet. De rook van zijn sigaret schrijft sierlijke zinnen die steeds vervliegen als hij probeert ze te lezen. Zijn gedachten volgen steeds kleinere cirkels die om de één of andere reden steeds eindigen bij zijn laatste avondmaal: cassoulet. Misschien om daar niet langer bij stil te hoeven staan, mompelt hij een gebed. Woorden die even als witte wolkjes in de vrieskou drijven en dan voorgoed verdwijnen.

Breng ons niet in verzoeking…’ fluistert hij. Drieënzestig jaar geleden, maar nog steeds beweegt zijn hart als hij aan haar denkt. Net negentien was hij, maar nu nog hoort hij het gedempte geluid van de kermis buiten haar tent. Alsof het gisteren was: duizelig van de drank en haar vreemde parfum voelt hij haar nagels die de lijnen in zijn handen lezen. Haar ogen waren de enige reden geweest om tegen middernacht voor een handvol francs zijn toekomst te laten voorspellen. ‘Een lang en rijk leven,’ voorspelde ze toen ze zijn vingers in haar handen nam en hem aankeek. Ze glimlachte alsof ze daar zojuist iets zag. En hoe graag hij haar ook wilde geloven, hij wist al dat tenminste de helft ervan gelogen was. Oh, die nacht vol verzoeking en verlangen. Ver voor de morgen wekte ze hem met een kus. Laurent rilt als hij een pijnscheut voelt op de plek waar haar tepels zijn nachtkoude huid raakten. ‘Volg me niet Laurent,’ fluisterde ze en drukte een ketting in zijn hand. ‘Hier, zodat je op een dag jouw eigen wonder kunt herkennen.’

‘Vergeef ons onze zonden,’ fluistert hij geluidloos en nu voelt hij haar lippen. Nu nog proeft hij haar tong. Honger! Het heimwee naar dat donker van haar ogen, naar de hitte van haar dijen, naar die ene nacht van zonde die inmiddels wel zou zijn verjaard. Hij was haar niet gevolgd. Mannen als Laurent kunnen niet leven van de lucht en zijn niet gemaakt om de wijde wereld in te trekken zonder te denken aan de dag van morgen. Het zijn gewoontedieren: de ene dag volgt de andere in monotone regelmaat, je rijgt de maanden aan elkaar als kralen aan een rozenkrans. ‘Ora et labora,’ preekte de priester: ‘Bidden om vergeving en werken om te vergeten.’ Maar hij was haar nooit vergeten. Zijn handen: een lange levenslijn doorsnijdt het mosterdgele eelt van tachtig jaar armoede. Vingers als boomwortels die kromgroeiden om de stenen in zijn akker. Harde handen die twee goede spaden versleten. Een liefdeslijn met alleen de littekens van het haren van zijn zeis.

Geef ons heden ons dagelijks brood,’ dat leerde Laurent op school. Maar hij had dat brood nooit gekregen. Ieder jaar had hij geploegd, gezwoegd. Hij had gezweet en gezaaid. En iedere week had hij zijn eigen brood moeten kneden. Tweeëntachtig jaar: een ketting met dertigduizend dezelfde kralen. Iedere dag gelijk aan de dag ervoor. Dat dagelijks leven sleet een donker spoor in de houten vloer. Duizenden vermoeide stappen op precies dezelfde plek waar zijn vader liep. Van de wasbak naar de kachel. Van de kachel naar de groene stoel die een perfecte mal geworden is voor zijn grote lijf. Sporen, de schroeiplekjes van zijn Gouloises in de leuning. De roestbruine ringen van zijn glas. Uit gewoonte pakt Laurent het bord van het tafeltje naast zijn stoel en zet het op de grond. Restjes voor een hond die al een decennium onder de walnotenboom begraven ligt. Toch is hij niet verbaasd als hij de deur hoort kraken. ‘Abel!’ zegt hij. De grote zwarte hond loopt onrustig naar de haard, draait zich om en gaat dan midden in de kamer zitten. Met zijn kop iets scheef, kijkt hij Laurent aan. Alsof hij iets hoort dat oudemannenoren niet kunnen of willen horen. ‘Abel, kom!’

‘Laat uw koninkrijk komen,’ fluistert hij maar hij heeft geen idee welke wonderen hij zich daarbij voor moet stellen. Zelf kwam hij nooit verder dan Périgueux. Al jaren herhaalt hij diezelfde woorden zoals hij elke morgen wakker wordt voor de zon opkomt en koffie kookt. Zo gaat dat: doen zonder te denken en doorgaan zonder stil te staan. Vanmorgen was zoals iedere ochtend in die meer dan tachtig jaar. Er lag sneeuw toen hij zijn dagelijkse rondje over het erf liep. Zijn handen in de zakken van zijn vest. Abel zit als een schaduw onder de boom waar hij begraven is. Alles gaat vanzelf. Alleen vandaag krijgt hij geen grip op zijn gedachten die als herfstbladeren door zijn hoofd tollen. Claire, zijn buurvrouw, loopt met haar schort in haar handen door zijn moestuin. ‘Putain,’ vloekt ze als ze zich moeizaam bukt om een handvol bonen van de grond te plukken. De laatste peulen hangen verdroogd en zwart aan de stokken. ‘Claire?’ vraagt hij als hij achter haar staat. Een moment komt ze overeind en kijkt om zich heen. Ze schudt haar hoofd, slaat een kruis zonder hem aan te kijken. Ze telt de witte bonen in haar schort. ‘Maak je cassoulet vandaag?’

De schuur is donker. Maar het is alsof dat lange leven hem heeft geleerd om in het donker te kunnen zien. Als vanzelf vindt hij de weg in dat doolhof van gereedschappen. Hij verdeelt een paar handen hooi over de hokken. Hij laat zich op het krukje zakken, knieën knakkend, zijn rug stram tegen de wand. De stralen van de winterzon raken verstrikt in de spinnenwebben die als vitrages voor het kleine raampje hangen. Hij hield ervan om na het voeren hier te zitten en te luisteren naar het geritsel van de konijnen in het stro. Zonder te kijken vindt hij het mes. De groeven die zijn vingers in het heft sleten, glanzen als ebbenhout. Hij spuugt op de steen zoals hij zijn opa dat zag doen, precies hier op deze plek. Precies op deze steen. Het staal fluistert dat met de tijd, alles slijt, alles slijpt. Hoe hard een lemmet ook is. Hij streelt het konijn dat uitgestrekt op zijn rechterknie ligt. Van het plekje achter zijn oren tot zijn staart. Hij neuriet een liedje van school, het Onzevader, tot het hartje trager klopt en de fluwelen oren blijven liggen. Zijn linkerhand drukt teder het konijn tegen zijn been. Dan snijdt zijn rechterhand in een enkele beweging van oor tot oor. Het mes is zó scherp en de grens tussen leven en dood is zó ragfijn dat het beestje niet beseft wat er gebeurt. Bovendien zijn gedachten te traag om zoiets te begrijpen. Minuten later hangt het konijn als een veel te naakte crucifix aan de spijkers in de balk.

Laat uw naam geheiligd worden’ mompelt de priester. Laurent kijkt naar de man aan het kruis boven het altaar, omringd door houten heiligen wiens wonderen hij vergeten is. Bij Claire zou de cassoulet nu al vijf uur op de kachel staan. Hij kon het vet van de worst bijna ruiken, de saus en de kruiden bijna proeven. Hij bromt de psalmen mee, monotoon als een orgel met een enkele pijp. Zijn voeten schuiven ongeduldig over de glad gesleten grafstenen onder zijn schoenen. Hij laat stro en mest achter waar ooit een naam heeft gestaan. Tussen zijn voeten ligt Abel, zijn kop op zijn voorpoten. Voorin de kerk staat een kist. Laurent kijkt om zich heen om te zien of iemand mist maar iedereen zit op zijn eigen, vaste plek. Naast hem in de kerkbank zit Claire. Als hij haar aan wil stoten om te vragen wie er begraven wordt, staat ze op. Ze kijkt even om, fronst en beweegt geluidloos haar lippen. ‘Claire?’ fluistert hij. Hij zou op willen staan en achter haar aan naar voren lopen. Maar iets houdt hem tegen.

...Alsof hij iets hoort dat oudemannenoren niet kunnen of willen horen. ‘Abel, kom!’

‘Gewoontedieren,’ zegt Claire als ze tegenover hem aan tafel zit. ‘Mannen zoals jij moeten iets om handen hebben.’ Op tafel staat een zware pan met een theedoek om de handvatten. ‘Dagelijkse kost’ zegt ze. ‘De bonen die jij deze lente zaaide. Een konijn dat je elke dag streelde. Het brood en de wijn die we vijftig jaar lang elke dag deelden. Wat een rijkdom.’ Ze lijkt door hem heen te kijken naar de heuvels. ‘Op een lang leven Laurent,’ zegt ze en drinkt in één slok haar glas leeg. Ze boert, lacht, en eet haar bord leeg zonder op te kijken. Dezelfde kleine, witte bonen als aan de ketting in zijn gevouwen handen. Onder de tafel wordt Abel wakker. Hij legt zijn kop op zijn knie. Zijn bruine ogen zijn zo leeg als zijn gedachten.

Dan staat ze op en vouwt de pan en haar bord in haar schort. Op de drempel kijkt ze om. ‘Laurent? Heb je het echt niet gemerkt?’ Ze schudt haar hoofd. ‘Je gaat gewoon door met wat je altijd deed. Alsof er niets is gebeurd. Een kooltje dat nog nagloeit in de haard. De macht der gewoonte.’ Verbaasd kijkt hij naar de tranen op haar wangen. Als de deur opengaat, knijpt hij zijn ogen dicht in het verblindend witte winterlicht. De kamer lijkt steeds groter te worden. Hij kijkt naar de ketting van kleine, witte boontjes in zijn handen. Een herinnering die hij al die jaren bewaarde. Dan voelt hij iets dat als een snik, die diep uit de kooi van zijn ribben ontsnapt. Een lang en rijk leven.

En op dat moment knapt na zoveel jaar het dunne, zijden draadje van zijn rozenkrans. En één voor één glijden de boontjes van de draad. Ze glippen als zand door zijn koude vingers. En nu pas, na al die jaren, ziet hij dat op iedere boontje een engel getekend lijkt. Heilige boontjes, een wonder uit zijn eigen tuin. Laurent kijkt naar zijn nu werkeloze handen die op zijn knieën rusten als een open boek. En als hij achter Abel aan naar buiten loopt, laat hij geen sporen meer achter in de vers gevallen sneeuw.

Dit artikel verscheen in december 2022 in Bouillon! magazine. Een schaamteloos mooi magazine in boekvorm over alles wat smaak heeft.

Categorieën
literaire fictie wijn

De geest in de fles.

Zonder mij was het allemaal vergeten. Al die jaren heb ik mijn herinneringen zorgvuldig verborgen. Als een dwerg in een sprookje poets ik ‘s nachts hebberig mijn schatten. Eén voor één laat ik ze door mijn kromme vingers glijden. Mijn geheugen komt tot leven, even echt als een gladde kiezelsteen die je tussen de wortels in de aarde vindt. Even zwoel als de eerste zonnestralen, de roze vingers die de mist betasten die als lingerie over de heuveltoppen ligt. Even scherp zie ik hoe een staalblauw kevertje zijn weg zoekt langs de kartelrand van een blad. Alles is met elkaar verbonden in die ene dauwdruppel die een ogenblik de oeroude wijnstokken weerspiegelt. Als je goed zou kijken, zou je de Bourgogne kunnen zien, Frankrijk en misschien wel meer. Zonder mij was het verdwenen: dat verloren groen, de roestrode vlekken langs de nerven: een landkaart van een land hier ver vandaan. Misschien dat ik je daarom wil vertellen wat mij is aangedaan: zodat ik niet vergeten word.

De laatste maanden denk ik steeds vaker aan die morgen en net als toen ben ik weerloos voor wat komt. Ik weet nog hoe ik vluchtte, weg van hun laarzen en het venijnige flitsen van vlijmscherpe messen. Doorweekt door de dauw rende ik zo hard ik kon door de wijngaard. Ik rende tot ik struikelde, kraaien vlogen op als flarden van hun geschreeuw toen ze me vonden. Ze sleurden me tussen de bladeren vandaan waar ik schuilde en steeds opnieuw beten hun scharen in mijn vel. Ze namen me mee en nu nog zie ik hun grote voeten die bleven trappen, schoppen tot er niets van me over was dan wat vocht en vellen op de vloer. Eeltige handen tilden me op en droegen me naar beneden. Tot de bodem. Daar werd het donker en het laatste wat ik hoorde was de kelderdeur die dichtsloeg. Hard als de punt aan het eind van een verhaal.

Vergeten

Maar alles is met elkaar verbonden. Ik ben die druiven die rijpen tussen de bladeren, de zon en de bronst van de herten in de heuvels. Maar ik ben ook de stenen van die kelder waar ik gistend van machteloze woede achter werd gelaten. De kou van die gevangenis heeft mijn karakter gevormd. Daar, in het duister, ben ik volwassen geworden.

Met mijn wang tegen het glas gedrukt om niets te missen, luister ik naar hun gedempte stemmen. Uren gaan voorbij. Ik hoor hoe hij de waarheid verdraait als hij een kurk uit een fles trekt: “Weet je nog?” Ze lacht, ook zij is niets vergeten. Haar stem herken ik natuurlijk: “Proost! Op ons?” Ik zou willen schreeuwen maar ik ben tot stilte gedwongen. Dit is mijn plek waar hunkerend moet wachten tot ze me vindt. Tot ze me bevrijdt. Bitter herkauw ik alle tientallen ontmoetingen en gelegenheden. Alle duizend-en-één nachten. Hoe vaak heb ik niet zo gelegen? Zo dichtbij dat ik de warmte van haar hand kon voelen? Ik weet alles nog. Tien jaar geleden was ik erbij toen ze achttien werd. We delen die herinnering die haar verblindt als flitslicht. Haar vader die zwijgend naar de fles in zijn handen kijkt. We weten beiden wat hij gaat zeggen: “Al achttien jaar wacht deze fles op jou. Een gelegenheid om samen te proosten…” stamelt hij en schudt zijn hoofd. Dan vertelt hij verbitterd dat hij niet haar vader is en draait zich om. Tot de zon opkwam staarde ze naar dat etiket zonder de fles aan te raken: een kasteel, haar geboortejaar en met balpen haar 18e verjaardag. “Het jaar erna is hij omgekomen bij een auto-ongeluk,” vertelt ze toonloos. “Mijn moeder wilde ik ook niet meer zien.” Ze nam ze een slok van haar wijn zonder iets te proeven en peuterde aan het Zwarte Pietenpapier dat ze die avond haastig om de fles had geplakt. “Ik had geen ander pakpapier,” bloost ze en kijkt naar zijn vingers terwijl hij voorzichtig de fles uitpakt. Natuurlijk wist ik wat ze wenste: een glas rode wijn om niets te hoeven zeggen, iemand die bij haar blijft als de herinneringen komen. En misschien gewoon niet meer alleen te hoeven zijn en ‘s nachts zijn vingers op haar borsten te voelen. Maar in plaats daarvan veegt hij verlegen het stof van het etiket: “Wow Bourgogne… Hé dat is jouw verjaardag?” Lang is het stil. “Die fles wil vast heel graag open,” lacht ze en zoekt tevergeefs zijn ogen.

Hoeveel ‘bijzondere gelegenheden’ zijn voorbijgegaan? Hoeveel kansen verkeken? Hoe vaak heeft ze niet zonder het te beseffen aan mij gedacht – om me vervolgens te vergeten? Jaren gingen voorbij zonder dat ze haar wensen wist te vervullen. Mensen kwamen dichtbij, maar schrokken terug als ze de glazen wanden voelden die haar omringen. Haar herinneringen: koud als een fietspad in de polder en donker als bandensporen in een modderige berm. Peinzend tekent ze een smiley in het stof dat aan de fles kleeft. “Ik moet gaan,” zegt ze opeens en staat op. “Bel je me?” Ze voelt zijn teleurstelling als hij de deur opendoet. Ze ruikt zijn lichaam als hij onhandig haar lippen zoekt. Ze draait zich om en vlucht naar buiten: “Bel je me? Dan drinken we samen die fles van mijn vader op!” belooft ze. Rutten bij nacht is de rand van de wereld. Van zijn wereld in elk geval. Hij leunde hij tegen de deurpost en volgde de achterlichten van haar Saab tot ze over de rand van de wereld viel en verdween.

Vergeven

Alles is verbonden door mensen, door wensen, door woorden en wijn. Ik bén die Bourgogne die jarenlang van hand tot hand ging. Ik ben de geest in de fles die ongeopend bleef. Ik leef omdat ik al die geuren en smaken bewaarde en beloofde ze terug te geven. Decénnia heb ik gewacht tot iemand mij zou bevrijden. Maar niemand heeft de waarheid in de wijn gezocht. Niemand begreep hoe ik hun dromen uit had kunnen laten komen. Zo had het gemoeten: drie wensen en een ‘ze leefden nog lang en gelukkig’. Maar het is te laat, ik ben te oud. Mijn adem stinkt en mijn ziel is zuur. Mijn gedachten bederven de kurk waarmee ze zo voorzichtig mijn geest gevangen namen. Het is voorbij, Frankrijk is verdwenen. Het kasteel, de heuvels en al die herinneringen zijn niet meer dan beschimmelde snippers die kleven 
aan het glas.

“Te laat,” mompelt hij en hurkt bij het wijnrek. Wat zou hij doen als hij wist dat ik hem hoor? Zou hij schrikken als hij wist dat ik hem kan zien, vreemd vervormd door de groene glazen wanden? Vandaag is het drie jaar geleden dat ze me hier achterliet. Hij pakt de fles uit het rek maar zelfs haar geboortejaar is niet meer te lezen. “Te laat om nog te bellen,” zegt hij tegen zichzelf. Zoals elke avond denkt hij aan haar en drinkt zonder te proeven. Drank uit streken zonder troost. Wijn uit flessen zonder ziel. “Weet je nog?” typt hij en vindt een emoticon van een fles rode wijn. Tussen zijn voeten staat die oude fles Bourgogne “Van harte gefeliciteerd, misschien een mooie gelegenheid om af te spreken?” Hij wacht een fles lang met verzenden. Dan, na zeven smakeloze slokken, vindt hij eindelijk de moed haar te bellen. Zijn hand zakt van zijn oor naar zijn schoot. Zijn wens glanst als een parel in de oester van zijn hand. Hij schrikt als hij haar stem hoort en staart sprakeloos naar haar foto op het schermpje. Op de achtergrond klinkt muziek, stemmen, een feest! Een man op de achtergrond vraagt wie er belt. “Ik weet het niet lieverd… Misschien verkeerd verbonden?”

In één beweging rukt hij de kurk in stukken en er scheurt iets in ons allebei. Plotseling ben ik vrij en het verbaast me dat dat zo’n pijn doet. Steeds opnieuw neemt hij een slok uit de fles om de fantoompijn van verdwenen wensen te verdoven. Want hoe vaak hij ook belt, er wordt niet meer opgenomen. Hij is vergeten en dat gevoel ken ik maar al te goed. Mijn wraak is zuur maar hij proeft het niet. Het duurt niet lang of hij voelt diezelfde troebele nevel als ik. Een duizeling zo diep als een zwerm zwarte vogels die cirkelt op de thermiek. En in die laatste ogenblikken van mijn leven dans ik met hem terwijl hij drinkt. Ik houd hem overeind tot hij zijn auto vindt. Slippend vlucht hij voor het leven, slingerend over de buitenwegen met de open fles tussen zijn benen. Vergeefs zoekt hij de weg door de polder, zijn telefoon voor zich als een kaars in de nacht. Ik heb mijn armen stevig om hem heen geslagen. De regen sluit als een gordijn en samen dansen we die dronken rondedans. Het is al laat: de fles is leeg en er zijn geen herinneringen meer om te delen. Duizelig knijpt hij zijn ogen dicht alsof hij wil ontsnappen. Maar ik bén die duizelingen, die banden diep in doorweekte klei. Ik ben de kraai in de top van een populier die plotseling door koplampen wordt belicht. Ik ben het blik dat in zijn vel bijt als een hond. De punt achter het verhaal.

Ik heb ze geteld: die onvervulde wensen en onuitgesproken woorden. De levens die niet ten volle werden geleefd, de wijn die bederft in een afgesloten fles. Wat overblijft is bitter als het bezinksel dat aan zijn lippen kleeft. Ad fundum! Samen bereiken we de bodem en als het dan donker wordt in hem, voel ik hoe ik alles los kan laten. Zonder wensen heb ik niets meer te geven dan vergeten.

Dit artikel verscheen in mei 2021 in de 71e editie van Bouillon! magazine. Een schaamteloos mooi magazine in boekvorm over alles wat smaak heeft.

Categorieën
Tischkultur

Serie Tischkultur

Regels zijn regels. En wie de regels overtreedt – krijgt straf. Zo simpel is het. En nergens ter wereld zijn die regels zo belachelijk als in Zwitserland. En nergens zijn de straffen zo streng als aan tafel. En nooit zijn ze zo gruwelijk als met Kerst. Tischkultur vertelt het verschrikkelijke verhaal van de regels aan tafel bij de familie Sand. Een overheerlijke kaasfondue en vader zo nauwkeurig als een polshorloge en regels – zo scherp als een zwitsers zakmes. Eet smakelijk!

Tischkultur is een kort verhaal uit de serie Aan Tafel Verschrikkelijke vertellingen om voor te lezen aan tafel of onder je kussen te verbergen voor het slapen. Meer onsmakelijke afleveringen, verhalen en boeken vind je op de site. 

Categorieën
Tischkultur

Tischkultur aflevering 1

Het bleef doodstil aan tafel. Mijn moeder frunnikte zenuwachtig aan haar servet. Met een verkrampt lachje keek ze de tafel rond, de blik van vader vermijdend.
‘Nou, dat is in elk geval een heel origineel voorstel van papa toch? Wil er iemand nog wat te drinken, terwijl we er even over nadenken?’

Papa

Ze maakte aanstalten om op te staan en naar de keuken te lopen. Vader schudde zijn hoofd en legde zijn hand op de hare. Hij zat aan het hoofd van de tafel, van waar hij het hele gezin kon overzien. Als een chirurg schikte hij zijn bestek op het servet naast zijn bord. Kerst. De zorgvuldig gepoetste messen en vorken glommen in het licht van de kandelaars. Het bestek met het zilveren vogeltje in het heft en natuurlijk de lange fonduevorken met aan het eind twee vlijmscherpe harpoenpunten. De eettafel was gedekt met het witte tafelkleed dat nog van mijn oma was geweest en in de hoge wijnglazen fonkelde witte wijn. De gordijnen waren dicht en de kamer was zo donker dat het huis gekrompen leek tot een grot waar alleen de tafel nog in paste. 
Vader schudde zijn hoofd: ‘Hier wordt geen hap gegeten voordat de regels voor iedereen duidelijk zijn.’

Twee levens
Steeds vaker en langer moest hij in Zwitserland zijn, waardoor het soms leek of we twee levens hadden. Het leven als hij  in Zwitserland werkte en mijn moeder harde muziek van vroeger draaide en uren aan de telefoon zat met haar vriendinnen. In die maanden had ze vaak een baantje – voor de gezelligheid – en aten we als ze thuiskwam pizza. Een paar keer per week kwam Ben langs. Ben was een enorme kale man die een paar straten verder woonde. Hij had geen werk en rook altijd een beetje naar bier en sigaretten. Ben zat vol grappen. Soms nam hij een zakje mais mee en maakte hij popcorn in een grote pan. Terwijl de pan op het gas stond haalde hij het deksel eraf voor de popcorn klaar was. Dan renden Claudia en ik door de keuken met onze mond wijd open om de rondvliegende popcorn op te vangen. Zijn grootste plezier was het houten vogeltje in vaders koekoeksklok. Als je zijn verhalen moest geloven was hij zeeman geweest en had hij de hele wereld gezien. Maar in geen enkel land, vertelde hij, was hij ooit zoiets afzichtelijks tegengekomen als de koekoeksklok van vader.
Op het hele uur hield hij gesprekken met het vogeltje. 
‘Ik leer Zwitsers van hem!’ riep Ben verontschuldigend als mijn moeder de tranen in haar ogen had van het lachen.
Op het  halve uur, als de koekoek één keer naar buiten kwam, gooide hij doppinda’s naar de klok. ‘Hebben jullie Franzel al eten gegeven?’ Daar moest hij zelf zo om lachen dat de borden in de keukenkast ervan rammelden. 

En we hadden natuurlijk het leven als vader thuis was. Vader, die in zijn stoel zat te lezen met steeds een half oog op zijn klok. Samen met  de koekkoek bewaakte hij iedere minuut van ons leven. Nauwgezet en stipt. Etenstijd. Huiswerktijd. Boekenleestijd, Bedtijd, en ‘s ochtends om zes uur op. Rust, regelmaat en nog iets met een ‘r’. We slopen op onze sokken door het huis en spraken met twee woorden en dan nog alleen als ons iets werd gevraagd. Ons speelgoed lag in kratten op zolder en de televisie bleef uit. Als hij kwam kon je dat weken van tevoren merken. Langzaam werd het huis schoner tot de vloeren blonken als een spiegel in een warenhuis en de woonkamer eruit zag als een etalage.

Deze keer was hij bijna een half jaar weg geweest. En op de een of andere manier was ik gewend aan het leven met ons drieën en Ben. Stiekem hoopte ik dat hij nooit weer terug zou komen. Maar in november werd mijn moeder steeds stiller. Avonden lang stond ze met  een nors gezicht bij de strijkmand en stoomde en vouwde en steef  tot mijn kleren strak als een stapel pizzadozen in de kast lagen. ’s Avonds als we naar bed waren hoorden we haar nog lang praten met Ben, zonder te lachen. Een week voor kerst werden we de stad door gesleurd. Thuis keurde ze kribbig de kleren die ze  voor ons had gekocht. Claudia stond voor de spiegel en plukte onwennig aan haar roze jurk. 
‘Ik lijk wel een soort pop…’ zei ze verbaasd.
Ik kreeg een zwart fluwelen broek en een wit overhemd met een hoog, stijf boord dat in mijn nek kriebelde. 
‘Kijk eens… dat staat je prachtig…’ zei moeder flauwtjes terwijl ze een zwart lint om mij nek knoopte.
Brullend van de lach zat Ben op de rand van het bed. Hikkend zette hij zijn flesje bier op het nachtkastje. 
‘Haha… is dat voor de kerst? het lijkt wel The Sound of Music! Moeten ze dat écht aan? Of doen jullie mee in een soort toneelstuk?’ hinnikte hij. ‘Het lijkt wel een kindermuseum hier! Nou Ingrid, laat je ook nog zien wat je voor jezelf gekocht hebt?’
Maar moeder was te gespannen om te lachen. Venijnig draaide ze zich naar hem om.
‘Hou op Ben, Jij weet niet hoe Franz is als hij weg is geweest. Niet hoe hij écht is… ‘

Regels zijn regels

Vader nam een slok wijn en veegde zijn donkere lippen af met het servet dat op zijn schoot lag. 
‘Nu, is het voor iedereen helder dan? Iedereen weet weer wat de regels zijn?’ 
Niemand durfde iets te zeggen, of zelfs maar te knikken. Claudia staarde naar haar bord. Moeder roerde even in de pan en lachte naar me. Ik rook de gesmolten kaas en de scherpe geur van de lampolie in het rechaud onder de pan. Het huis was stil, je hoorde alleen het dorre tikken van de klok en de cd met kerstliedjes uit mijn vaders dorp. Zware, donkere stemmen die steeds lager en trager zongen tot ze klonken als een sombere groep beren in de regen. Ik  keek naar de klok die de vorm had van een Zwitsers huisje, met daarvoor een houten hekje. Volgens mijn vader had een beroemde klokkenmaker tot op de millimeter precies het huis van mijn opa en oma na gemaakt. Het luikje van het vogeltje was hun slaapkamer. Ik was nog nooit in Zwitserland geweest. 
‘Later misschien,’ zei mijn vader als ik hem ernaar vroeg. ‘Als ik me niet voor jullie hoef te schamen en jullie weten hoe het hoort.’ 
Iedere keer als hij weg was geweest, sprak hij slechter Nederlands. Hij sprak met een zwaar accent en moest soms zoeken naar de juiste woorden. 
‘Ik weet wel hoe het hier gaat. Hierrr… In Niederland en thuis –  als ik er niet ben. Alles moet maar kunnen en een ieder doet maar wat hij wil…’ 
Hij praatte met harde, korte woorden en zijn ‘r’ rolde over tafel als een grote stalen kogel. Zijn ogen fonkelden in het kaarslicht. 
‘In Zwitserland zie je geen snotkinderen op straat en wast iedereen zijn handen. Daar spreekt men met twee woorden en poetst iedereen zijn tanden. Daar zijn kinderen hun ouders niet tot last, daar ligt geen stof onder de kast…’ Even schoot zijn blik naar mijn moeder die blozend het brood in de mand schikte. 
‘En weten jullie waarom? Omdat men daar nog weet hoe het hoort!’  Hij kneep hard in zijn servet en ik zag zijn knokkels wit worden. 
‘Dit is geen spel moeder. Wij doen dit om samen die Kiender iets te leren. Etiquette! Dat zij weten hoe het hoort. ‘ Ik voelde zijn blik als de punten van een fonduevork in mijn kruin prikken. Ik was acht, maar ik wist al dat het woord etiquette niets te maken had met de stickers op  jampotten, maar met regels. Strenge regels. Zwitserse regels!

Kerstavond

Kerstavond aten we kaasfondue. Ieder jaar. Het recept voor de fondue was een gekoesterd geheim van minstens zes generaties van de familie Sand. Dagen van tevoren rook het hele huis naar de ingrediënten die mijn vader meegenomen had uit Zwitserland. De kazen lagen op een keukenplank uitgestald als rariteiten in de vitrine van een museum. Er waren grijs-bruine gedeukte blokken die eruit zagen als keien en andere als vreemde oranje sponzen. Sommige kazen waren  in stro verpakt en roken naar schapenmest. Er was er één die eruit zag als een kwal die traag druipend zijn doosje  probeerde te ontvluchten. De worsten hingen aan stalen haken in de keuken en zagen eruit als kromme, dode takken waar iemand poedersuiker overheen gestrooid had. De kaas moest zo langzaam smelten dat mijn vader twee nachten op de bank sliep om op gezette tijden kaas toe te kunnen voegen aan het mengsel in de pan. De ochtend voor kerst voegde hij ook de laatste toe, een bleekgele kwak die leek op de schimmels in een vergeten macaronipan. Vanaf dat moment week hij niet meer van het fornuis en roerde uren lang met een speciale houten lepel in de fondue. Zonder een moment zijn ogen van de fondue te halen, riep hij zijn orders het huis in om precies om zeven uur te kunnen eten: ‘Claudia! Zijn die servetten al geperst? Moeder, het tafelkleed moet nog gestreken worden! Jij daar – laat de kandelaars eens zien… Noem jij dat poetsen? Apenwerk! Moet ik jou soms leren poetsen?’
En langzaam vormde zich de kaasfondue van Sand,  een dikke donkergele brei waarin grote kauwgombellen groeiden die plotseling met een zacht ‘plop’ openknapten. 
‘De kaas moet lachen.’ zei vader terwijl hij geconcentreerd in de grote heksenketel staarde.
Om zes uur precies zette mijn vader het gas laag en controleerde hij de tafel. De broodmanden stond afgedekt op tafel. De kaarsen brandden rustig. Grommend verschoof hij de armlange fonduevorken en schikte hij de schaaltjes augurken en zure paddestoelen rond het rechaud. Met een doekje veegde hij de vingerafdrukken van de borden. Tenslotte sleep hij het grote koksmes en legde hij de snijplank met de worsten op tafel. Hij keek naar de klok. ‘Aan tafel dan, familie.’ zei hij tevreden knorrend. En terwijl we de stoelen aanschoven antwoordde de koekoek gehoorzaam. 

Mama

‘Als de regels voor een ieder duidelijk zijn,’ zei hij harder ‘kunnen we misschien gezellig eten dan?’  Zijn blik gleed van mijn moeder via mijn zusje naar mij. 
‘Claudia?’
Ze knikte, bijna onzichtbaar.
‘Rechtop zitten dan!’
‘En jij, denk jij dat je je ook kunt gedragen nu je vader weer thuis is? Denk jij dat jij misschien een beetje cultuur kunt laten zien?’
Ik knikte. 
‘Ik hoor jou niet… ‘
‘Jawel vader, eet smakelijk vader.’
Een glimlach verscheen op zijn  lippen en zijn vinger gleed langs zijn glad geschoren kin. 
‘Daar ben ik heel blij om. Ik wens jullie…’ even zocht hij naar het juiste woord ‘…een smakelijke maaltijd.’ Geconcentreerd drukte hij een stukje stokbrood op de twee tanden van zijn fonduevork. 
‘Eet smakelijk vader,’ zeiden we in koor.
Hij doopte het brood in de fondue. Mijn moeder glimlachte: ‘Nou het ruikt in ieder geval heerlijk!’
Hij glimlachte zonder zijn brood uit het oog te verliezen. Hij hield de lange fonduevork tussen duim en wijsvinger en draaide zijn brood langzaam rond in de dikke gele massa. ‘Schaffenputzer van die Alm, rauwmelkse Hottentaler, Rundkopfkäse van die schapen voor dat zout’  Plechtig noemde hij één voor één de kazen op die hij gebruikt had. Bij elke naam keek hij naar één van ons en draaide het brood om en om in de kaas. ‘De allerbeste Tellerheimer, Graue Schwanztaler, Krautenzieg voor dat beetje zoet op het midden van de tong, Hundstaller monniksbuik en Ziemelmädel…’ Hij keek naar mijn moeder die flauwtjes knikte. Zijn hand streek teder over het helderwitte tafellinnen. Claudia en ik zaten met onze handen in onze schoot en staarden naar ons bord. Traag draaiend met zijn vork hengelde vader zijn broodje omhoog. Vanuit onze ooghoeken keken we toe hoe hij de steeds dunner wordende draad om het brood draaide. Met zijn gewone vork schoof vader het broodje van de fonduevork op zijn bord, sneed het in tweeën en stak het in zijn mond. Keurend keek hij naar het plafond. Zijn zwarte wenkbrauwen fronsten en zijn donkere gezicht rimpelde als een verdroogde aardappel. Hij kauwde langzaam met open mond en een klein wolkje stoom kringelde omhoog tussen zijn donkere lippen. 
‘Grrrmmmmmmm…’ gromde hij. ‘Ieder jaar wordt het beter…’ Hij legde zijn vork op zijn bord en legde zijn handen plechtig naast zijn bord. ‘Maar nooit zo goed als bij mijn Mutti.’ 

Vader stond op en haalde een klein, zwart fluwelen zakje uit de binnenzak van zijn colbert. Op het zakje was met gouddraad een krullende letter ‘S’ geborduurd. Hij trok een kandelaar naar zich toe en opende voorzichtig het fluwelen zakje. Met trillende vingers haalde hij er een klein boekje uit, met een kaft gemaakt van berkenschors. Het was niet groter dan mijn hand en ik zag hoe vader het boekje teder streelde. 
‘Ik kreeg dit boekje van mijn vader, die het op zijn beurt kreeg van zijn vader.‘ zei hij met trillende stem. Hij keek me recht in mijn ogen tot ik bloosde.  ‘Al meer dan honderdveertig jaren draagt de oudste zoon van Sand dit boekje op zijn hart. Elke dag. En in dit boekje staan alle regels die onze familie samenbindt. Dit boekje,’ hij bladerde voorzichtig door de gelige bladzijden, ‘ is onze geschiedenis, het heden en de belofte voor onze toekomst.’
Ik hoorde de wind langs het raam en het rammelen van een vuilnisbak in de tuin. De lucht was zwaar en stil.  ‘Lang geleden zei de grootvader van jullie grootvader het zo:’

Bergen reiken tot hoog in de wolken.
Duistere dalen vervagen het woud. 
Dood en verderf loeren er op degene
Die zich er niet aan de paden houdt.

Regels zijn de paden door ’t leven.
Ze leiden je veilig van a naar b.
Luister naar mij en doe als je vader:
Neem altijd je rugzak vol regels mee.

Zorg dat men steeds op je rekenen kan.
Wees punctueel waarheen je ook gaat.
Denk maar aan onze koekoeksklok:
Altijd op tijd, geen seconde te laat.

Tischkultur

Eén voor één staken we een stukje brood op de fonduevork en doopten het in de fondue. Zwijgend wachtten we op onze beurt en keken gespannen hoe de anderen aten. Mijn moeder deed haar uiterste best er een gezellige avond van te maken. 
‘Nou, je hebt jezelf overtroffen vader!’ riep ze enthousiast over het berenkoor heen.   ‘Wat jammer dat opa en oma het niet kunnen proeven zeg. Dit is nou echt genieten potverdorie…’
Mijn vader fronste: ‘Moeder… die woorden?’
‘Ach ja, woorden. Ik bedoel alleen …  Het is zo gezellig met zijn allen aan tafel. Dat is ook veel te lang geleden eigenlijk . Ik ben zo blij dat…’
Het hele gezin keek toe hoe ze haar broodje uit de pan haalde. Ze sneed het op haar bord  in tweeën en nam een hap. 
‘Oh heerlijk Franz! Alsof je midden in de bergen zit.’ 
Ze beet het tweede stukje brood van haar vork en keek ons ontspannen lachend aan, zich niet bewust van de  lange draad kaas die van haar tanden naar haar vork liep. Machteloos keken we toe hoe de draad steeds langer en dunner werd tot hij als een slap koord van een koorddanser bijna tot op het tafellinnen hing. Mijn mond viel open en zelfs de klok leek een slag over te slaan. Het leek of de je de draad kon horen knappen. 

Tik. 

De kaas plakte aan haar kin en liep over het witte kant van haar jurk naar haar bord. 
‘O jee, wat doe ik nou? Wat zit ik te knoeien zeg…’ lachte ze.
Vader vouwde met een beslist gebaar zijn servet op en veegde langs zijn mond. 
‘Moeder!’ Zijn ogen fonkelden. 
Met zijn vlakke hand sloeg hij naast zijn bord. De glazen rinkelden. 
‘Zou jij in mijn bijzijn in ieder geval je best kunnen doen deze kinderen wat tafelmanieren bij te brengen? Of moet hun grootvader denken ik een stel apen opgevoed heb?’  Met driftige gebaren poetste hij zijn fonduevork. ‘Nou? Apen!’
Moeder beet op haar onderlip en probeerde snel de dikke kaas van haar jurk te poetsen. Zelfs in het kaarslicht zag je de grote vetvlek in het witte kant. Ze bloosde. ‘Nou eet lekker verder… ik ga even mijn jurk schoonmaken.’ 
Ze stond haastig op en liep naar de keuken. Ook vader stond op, pakte haar stoel en zette die in de woonkamer. 
‘Tischkultur,’ zei hij toen hij ging zitten.  ‘Tischkultur, dat is wat de Hollanders missen. Dat woord ‘Tafelcultuur’ dat leren zij niet in de school, het bestaat niet eens in jullie taal. Tischkultur is zoveel meer dan een mooi gedekte tafel en een goed bereid maal. Tischkultur is de subliemste vorm van etiquette, voor een gezin de hoogste vorm van kunst. Als men al aan tafel niet weet hoe het hoort, hoe moet dat dan in de gemeenschap?’ Hij praatte hard zodat mijn moeder hem in de keuken kon horen.  ‘Tischkultur houdt het menselijk ras bij elkaar. Een gezin aan tafel. Zoals het hoort.  Dat is het enige wat hen onderscheidt van apen. ’ 
Bij het woord apen keek hij me aan tot ik mijn ogen neersloeg. 
‘Jullie moeder eet vanavond als een klein kind in Zwitserland, staand aan tafel om goed de volwassenen te kunnen zien en hen te bedienen. Daar leren ze van.’ 

Toen ze terugkwam leek mijn moeder een moment te zoeken naar haar stoel – maar ze gaf geen krimp. Ze stond onhandig bij de tafel en keek even mijn vader aan. Toen boog ze haar hoofd en glimlachte. 
‘Nou wat een streng spel – als ik zo sta kan ik ieder geval niet  op mijn nieuwe jurk knoeien. ’

Ik

Het was mijn beurt. Zorgvuldig had ik van tevoren het broodje gekozen dat ik uit de mand zou pakken. Niet te groot – grote broodjes waren stevig maar werden snel  zwaar en konden van de vork vallen. Klein stukjes waren licht maar zogen teveel vocht op. Ik voelde hoe het gezin iedere beweging volgde. Onder mijn wimpers door keek ik naar vader.  Als hij even niet op zou letten zou ik het broodje dubbel kunnen vouwen waardoor ik de fonduevork door vier korsten kon duwen. Maar ik zag hem ontspannen naar me kijken. Snel drukte ik het brood stevig om de steel van de vork. Ik zag hoe mijn vingers trilden van spanning. Nu de vork in de kaas dopen, lang genoeg om niet onbeleefd te zijn en kort genoeg om het brood stevig te houden. Even draaide ik de vork door de warme massa. Voorzichtig haalde ik het broodje boven. Geschrokken zag ik hoe het brood langzaam van de tanden zakte. Wanhopig probeerde ik de kaas als een soort touw om het brood en de vork te wikkelen zoals ik mijn vader had zien doen. Mijn maag draaide om in mijn buik toen ik zag hoe het brood steeds verder scheurde. Snel stak ik het brood in de kaas. Koude zweetdruppels rolden langs mijn ribbenkast. Het was onmogelijk te weten of het brood nog aan de vork zat en in paniek keek ik naar mijn vader die me bemoedigend toeknikte. Ik slikte en haalde langzaam de vork boven de pan. Het bloed trok uit mijn wangen weg. Ik keek mijn vader aan en zag hem duister staren naar de lege tanden van de vork. Hij boog zich over de pan en staarde in de kaas en keek me vervolgens doordringend aan.  
‘Dat is erg, erg onbeleefd Johan. Vind jij de fondue niet lekker? Heb jij niet geleerd hoe te eten met bestek? Nou?’
Ik ontweek zijn blik en legde de vork precies zoals dat hoorde op het bord. Mijn hoofd gloeide alsof ik een tik op mijn wangen gekregen had. Ik durfde niet op te kijken van mijn bord. Door mijn oogharen zocht ik mijn moeder. Maar ze stond stram rechtop met haar handen op haar rug en keek me niet aan. Vader boog zich voorover over de tafel en drukte zijn grote vinger in het tafellinnen:

Het grootste gevaar doet zich voor aan tafel,
Waar menig mens zich ontpopt als een hork. 
Wij morsen niet, noch zullen wij ooit schrokken.
Maar bovenal, steeds eten wij met mes en met vork

Hij tikte met zijn vinger op het houten omslag van het boekje, dat naast zijn wijnglas lag. Tik. Tik. Tik.

Tot slot, volg ernstig op al mijn bevelen.
Gehoorzaamheid verdraagt geen grap.
Neem steeds een voorbeeld aan je ouders
En volg waar zij gaan, stap voor stap voor stap.
 

‘Misschien dat jij dan eerst maar eens moet leren eten zonder bestek? Nou? Zoals de apen dat doen in Afrika?’
Hij graaide mijn bestek van mijn bord. 
‘Nou kom, probeer het nu nog maar eens. ‘
‘Nu gelijk?’ fluisterde ik. 
Hij kikte en gebaarde uitnodigend naar de pan. Hij glimlachte zijn brede tanden bloot. 
‘Nu. ‘ zei hij beslist. ‘Kom, haal dat brood uit mijn kostelijke fondue voordat het de smaak bederft. Of wil je dat soms?’
Ik schudde mijn hoofd. Mijn moeder staarde strak naar de gesloten gordijnen. Trillend hield ik mijn hand  boven de pan en voelde de gloeiend hete damp van de kaas op mijn huid. Smekend keek ik mijn vader aan die zijn wenkbrauwen dwingend fronste. Dood en verderf loeren er op degene die zich er niet aan de paden houdt. Ik keek in de pan waarin grote bellen  verschenen en openknapten. Zou het helpen het langzaam te doen? Zouden je vingers kunnen wennen aan de hitte van de kokende kaas? Ik dacht terug aan vorig jaar toen ik mijn mond gebrand had aan de fondue en nog dagen later met mijn tong de blaren op mijn gehemelte kapot kon drukken. Een paar weken geleden had ik bij Ben een goochelaar op televisie gezien, die liep over vuur alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Kaas kon nooit zo heet zijn als vuur. Ik deed mijn ogen dicht en dacht aan de goochelaar. Een zwembad in de zomer, ijskoude cola in een beslagen glas.

Snel doopte ik mijn vingers in de kaas. Het voelde alsof ik mijn hand in een pan kokend water stak en ik voelde hoe tranen zich door mijn gesloten oogleden perste. Zo snel ik kon tastte ik rond in de dikke kaasbrij. Ik beet hard op mijn onderlip om niet te schreeuwen. Eerst was er geen pijn – alleen maar de hitte van de kaas die ik voelde tot in mijn ellebogen. Plotseling voelde ik een sponzig stuk tussen mijn vingers.  Ik greep het en haalde zo snel ik kon mijn vingers uit de pan. Toen kwam de pijn. Het leek of mijn handen in brand stonden. Ik wilde niets liever dan mijn vingers in mijn mond steken, maar ik balde een vuist en liet mijn adem tussen mijn tanden door ontsnappen. 
‘Warm’ piepte ik door mijn tranen heen. Ik blies op mijn vingers en keek naar mijn vuurrode vingers waarop witte blaren ontstonden. Mijn vingers lachten. 
‘Dat gaat al beter zo.’ mompelde mijn vader afwezig terwijl hij wat paddestoelen op zijn bord schepte. 
‘Heel netjes.’

Einde aflevering 1 van 2. Automatisch een bericht als deel 2 beschikbaar is? Schrijf je in op de nieuwsbrief of download het complete verhaal als PDF of EPUB

Categorieën
literaire fictie

Culinair literaire fictie

In deze verhalen speelt ‘eten’ slechts een bijrol. Het zijn complete, korte verhalen over de meest uiteenlopende onderwerpen. Het verhaal staat hier centraal.

In sommige verhalen is ‘culinair’ nog te terug te vinden. Zoals in ‘De IJsbreker’ In dit verhaal staat een verkoper van vriesproducten centraal. In ‘Nachtmerrie’ staat een recept voor paardevlees centraal. Maar vanaf de eerste regels is duidelijk dat dit geen documentaire is.

Soms is de culinaire basis al bijna onzichtbaar. Een goed voorbeeld is het verhaal ‘Vasten’ dat gaat over een culinair journaliste met een eetstoornis.

Soms is een gesprek of observatie aanleiding voor een verhaal. ‘Home is where the heart is” is een verhaal dat voortkomt uit een gesprek met een achterbuurman over duivenmelken. Hij vertelde hoe zijn vader alles over had voor zijn duiven. Maar dat als ze oud werden of slecht vlogen hij ze met smaak oppeuzelde. Bij dit verhaal en veel andere verhalen volgt dan uitgebreid onderzoek. Veel lezen en veel gesprekken. Veel lange ritten door het land om het idee te bemesten. Bijna nooit is de research terug te vinden in de tekst. Het fundament blijft denk ik onzichtbaar maar draagt de tekst.

Categorieën
- wijn

Verhalen over wijn.

Verwacht geen poëzie. Geen ronkende beschrijvingen van smaak. “Ik ben geen kenner,” zegt iemand in het verhaal ‘De meester van het Woud’. Deze verhalen vertellen iets over de cultuur en soms zelfs de aard van de mensen. Deze korte verhalen gebruiken het (te)veel beschreven onderwerp wijn als een uitgangspunt voor korte ontdekkingsreizen.

  • De geest in de fles.
    Een verhaal over wijn van uit een uniek perspectief. Het vertelt hoe wijn wensen kan vervullen. Maar wat als deze wijn vergeten wordt?
  • Verhalen over wijn.
    Verwacht geen poëzie. Geen ronkende beschrijvingen van smaak. “Ik ben geen kenner,” zegt iemand in het verhaal ‘De meester van het Woud’. Deze verhalen vertellen iets over de cultuur en soms zelfs de aard van de mensen. Deze korte verhalen gebruiken het (te)veel beschreven onderwerp wijn als een uitgangspunt voor korte ontdekkingsreizen.
  • De meester van het woud
    Meidrank is een witte (mousserende) wijn die met walstro wordt verrijkt. Een bijzondere smaakmaker met een geschiedenis die teruggaat tot de Germanen.
  • Dag en Nacht
    Dit verhaal verbindt het grootste verhaal van Goethe, Faust, met een bijzondere wijngaard in het Duitse Harzgebergte. Wat is de magie van wijn die bij volle maan wordt gemaakt?
Categorieën
Serie: Aan tafel!

Honger.

Wat is thuis? Ik ben teveel een gewoontedier om die vraag te kunnen beantwoorden. Ik denk dat thuis voor mij iets anders is dan voor jullie. Thuis is voor mij geen gevoel, maar een plek waar je automatisch terugkomt. Er is geen reden om terug te komen, zelfs niet als we ’s nachts door de straten zwerven. Integendeel. Thuis is het oude blauwe dekbed op de betonnen vloer van de bijkeuken. Het is de tocht die ’s nachts door het luik komt. En thuis is Honger.

Download “Honger. Compleet verhaal” athame-honger-pdf.pdf – 22 keer gedownload – 410 KB

1. Plaats.

Uit de kamer klinkt het geluid van de televisie. Stemmen die ik niet versta, knallen en loeiende sirenes. De deur van de bijkeuken staat op een kier. Dan klinkt de deurbel en trekt iemand aan het touwtje in de brievenbus. De deur schiet open en een gedempte stem klinkt in de gang. Even later trekt de geur van warme pizza door de kamer. Ik knijp mijn ogen dicht en moeizaam slik ik het taaie slijm uit mijn keel. De geur is bijna tastbaar. Zo duidelijk, dat ik met mijn ogen dicht de afzonderlijke geuren kan zien… De donkergele geur van gesmolten kaas, het rood van pittige worst en paprika. Ik voel hoe Timo zich trillend tegen me aandrukt. Zijn magere borst gaat snel op en neer.
‘Pizza…’ piept hij zachtjes.
Ik knik. Zijn neusvleugels trillen als hij voorzichtig de deur open duwt. In de kamer kraakt de bank. Kreunend staat De Man op, hij moet zich vasthouden aan de rugleuning van de bank om overeind te komen. Zijn enorme kuiten en bovenbenen worden blauw verlicht door de beeldbuis. Het tapijt, of wat daar van over is, ligt bezaaid met afval, enveloppen en etensresten. Ik kijk toe hoe zijn voeten als blinde konijnen tussen de rotzooi naar de pantoffels tasten. De bank is een eiland in zee van afval. Chipszakken, flessen en pizzadozen omringen hem als de branding. Tot aan de plinten ligt het tapijt bezaaid met papier, snoepwikkels en vochtige vlekken. Traag baant De Man zich een weg naar de gang. Hij lijkt zo groot als het bankstel waarop hij zijn dagen doorbrengt. Nog even en hij is zo groot als de kamer. Elke keer verbaast het me dat hij nog op kan staan. Dat de botten in die bleke, vette kuiten zijn gewicht kunnen dragen. Als hij zich vloekend de gang in wringt, drukken zijn enorme dijen tegen de deurpost.
‘Twee keer quatro formagi, een pasta carbonara – extra large – en een Calzone met extra spek. Dat is dan tweeëntwintig half.’
Mopperend en grommend neemt De Man de bestelling in ontvangst.
‘Kijk eens… ‘ Kleingeld rinkelt. ‘…en een gratis familiebeker ijs omdat het dinsdag is. Tot morgen meneer Burger.’
De Man gromt en gooit de deur achter de jongen in het slot.

Zou je van geur kunnen leven? Als hij de kamer in waggelt, is de geur zo hevig en echt dat ik de pizza’s proeven kan. Ik voel hoe het water me in de mond loopt en in elkaar gedoken staren Timo en ik naar de witte dozen op de bank. Wat zou ik ervoor over hebben om mijn tanden in zo’n warme pizza te kunnen zetten? Wat zou ik ervoor over hebben en wat zou ik doen? Zou ik de saus eerst van de bodem likken, en hapje voor hapje genieten van de smaak? Of zou ik me laten wegzinken in de heerlijke warme geur en zonder te proeven de hele pizza opvreten, zodat ik nog uren kon genieten van de tevreden warmte in mijn buik? Kreunend laat ik me op het beton zakken. Ik bijt hard in het dekbed en probeer me met gesloten ogen voor te stellen dat het een pizza is. De Man heeft ons verboden in de kamer te komen. Onze plek is op de koude vloer van de bijkeuken. Dag en nacht. Geen uitzonderingen. Hij kan al lang niet meer zitten, dus vreet hij zijn pizza’s en hamburgers wijdbeens liggend op de bank. Zijn lichaam is een bleekblauw gebergte, gebeeldhouwd uit reuzel en huid. Een reusachtige, glanzende massa die verpakt is in een versleten kamerjas en die op zijn plek gehouden wordt door de leuningen van de bank. Als hij een stuk pizza naar zijn mond brengt, vallen de plooien van zijn armen over de leuning als een trage waterval. Hij vreet en groeit, zo brengt hij zijn dagen door. Drie, vier keer per dag staat hij op van de bank om eten te betalen. Verder beweegt hij niet, alleen om te eten en dreigend naar ons te slaan met de leren riem die hij altijd onder handbereik heeft liggen. Ik weet niet of hij ooit slaapt, dag en nacht ligt hij zuchtend op de bank. Hij kreunt en hijgt en vreet en groeit. Een onafgebroken stroom chips, hamburgers, bier en pizza verdwijnt in zijn mond. Hij is groter dan wie dan ook. Als hij staat, kijk je tegen de harige onderkant van zijn buik. Zijn hoofd is allang niet meer te zien door uitdijende vleesmassa. Hij groeit nog steeds, en ik weet niet of daar een einde aan komt. Wij eten niet en sinds een paar nachten kan ik niet meer slapen. Je zult je afvragen waar we op wachten of waarom we blijven. We blijven omdat het thuis is. Dat is alles.

Timo staart naar de dozen als een tijger naar zijn prooi. Langzaam, met zijn nekharen overeind kruipt hij in de richting van de bank.
‘Plaats!’ brult De Berg.
´Op de plaats smerige straathond!’
De Berg beweegt en de veren in de bank kraken alarmerend. Een leeg bierblik suist met akelige precisie in onze richting en knalt tegen de deurpost. Piepend van angst schiet Timo langs me heen de bijkeuken in. Ik posteer me grommend in de deur. Hoewel ik weet dat hij niet op zal staan, nauwelijks op kán staan.
‘Bek houe kolerebeest! Of moe-ik de riem effe pakke? Nou?’
Met volle kracht smijt hij een halfvol blik in mijn richting. In een reflex duik ik ineen, maar hij mist en raakt alleen de deur. Het bier spuit sissend tegen de deur en met mijn tanden bloot trek ik me terug. Trillend rolt Timo zich in het dekbed. Geruststellend bijt ik hem in zijn oor, daarna lik ik somber het bier van de vloer. Het smaakt net zo bitter als het ruikt. Later vanavond, als ik De Man hoor snurken, sluip ik voorzichtig naar de bank. Ik zal één van de dozen in mijn bek nemen en meenemen naar de bijkeuken. We zullen de korsten delen en met wat geluk plakt er nog wat kaas en aan de deksel.

2. Bal.

Honger lijkt nog het meest op kiespijn. In het begin merk je er nog nauwelijks iets van. In het begin stoort de zeurende pijn je een beetje, maar lange tijd denk je dat het wel zal wennen. Je stelt je niet aan en als je op een nacht wakker wordt van de pijn, draai je je om en denkt aan andere dingen om ze te vergeten. Dag na dag wint ze terrein tot de pijn je gedachten beheerst en langzaam maar zeker wordt ze een deel van je leven. Zoals vlooien horen bij je vacht. Begrijp me goed; net als iedereen ken ik het gevoel wakker te worden met een hol gevoel in mijn maag. Het slappe gevoel dat je bent gaan slapen zonder genoeg te hebben gegeten. Natuurlijk denk je dan aan voer, aan malse brokken in je bak. Maar als je dan gaat spelen, lukt het je toch om aan andere dingen te denken tot je je maag weer kunt vullen. Maar dat is geen Honger. Honger duurt langer. Honger begint met een lege maag en holt je van binnen uit. Vanuit je buik vreet ze zich een weg naar buiten, tot iedere vezel van je lijf pijn doet en schreeuwt om eten. Tot je ’s nachts de energie niet meer hebt om te dromen en elke gedachte onvermijdelijk naar eten leidt. Dat is het moment dat de lange, slapeloze nachten beginnen die ongemerkt overgaan in uitzichtloze dagen. De koortsige dromen terwijl je wakker bent. Dat is Honger.

Ik breng de dag door met denken. Ik probeer me de smaak van brokken te herinneren. Het geluid van de zachte brokken in de plastic bak waar Timo en ik samen uit aten. Ik herinner me de uitgelaten hond op de zak en de vrolijke rode letters. Dat was opgehouden nadat De Vrouw en Kleine Jongen weg zijn gegaan. De Honger is begonnen, denk ik, op het moment dat De Man begon met eten. Ik heb geen idee van tijd, dus vraag me niet hoelang wij op deze manier leven. Wel weet ik dat Honger langer duurt dan je je voor kunt stellen. Het punt is, je gaat niet dood van de Honger. Zo lijkt het wel, maar zo werkt het niet. Stukje bij beetje, ongemerkt word je zwakker en kleiner, net zo lang tot je hersenen gekrompen zijn tot één enkele koortsige gedachte. Honger is geen kwestie van niet eten. Honger is juist genoeg binnenkrijgen om te weten dat het onvoldoende is. Timo en ik eten precies genoeg om in leven te blijven en proeven net dat beetje, dat brandstof wordt voor een brandend verlangen naar meer… Naar meer. Vroeger dacht ik dat ik Honger kende, als Ze een dagje weg waren en pas laat weer thuis kwamen. Ik dacht dat Honger was, dat merkwaardige holle gevoel in je buik en in je flanken. Maar dat is geen Honger. Het komt niet eens in de buurt van Honger.

Soms zak ik weg in een droom, zonder te slapen. Opeens weet ik dan alles weer. De zon op mijn vacht, het rennen achter een bal aan in het park. Ik was jong toen, en Timo nog een onhandige pup. Het licht op het droge, gele gras en de fel gekleurde kinderkleren. Een hoge stem die ‘Apport’ roept. De bal vliegt hoger dan de wolken en verdwijnt in de zon. De bal. Een grijs stipje in de lucht. In mijn droom rennen we dicht naast elkaar, grommend en bijtend naar elkaars’ staart tot we door het stof heen rollen. Timo en ik, de bal op het gras.
‘Bal!’ roept De Kleine Jongen. ‘Pak bal!’
De vreemde smaak van het rubber in je bek. Bijten. Timo hield zijn kop scheef en probeerde de glibberige bal tussen zijn kiezen te nemen. Zijn bek was nog te klein om de bal weer terug te kunnen brengen. Steeds als hij hem te pakken had schoot hij weer weg en rolden en tolden we in de zon tot ik hem tussen mijn tanden had.
‘Hier! Plaats! Apport!’
Tot ik de bal terugbracht. De Vrouw was er toen nog en de Kleine Jongen. De Man was groot en wild en lachte hard als hij probeerde de bal uit mijn bek te trekken. Ik zette mijn poten schrap en schudde grommend mijn kop. Woest. Een beest. Ik gromde en liet mijn tanden zien. Je mag de hand niet bijten die je eten geeft, maar van bijten in de bal moest hij lachen. Hij was het baasje en ik beet. Hij gromde terug en trok.
‘Wolf – laat los!’ juichte De Kleine Jongen. Hij had zijn armen om Timo heen geslagen. Maar ik liet niet los. De Man trok en ik liet hem trekken en ik voelde de heerlijke druk tot in de wortels van mijn hoektanden. Bijten. Dieper en wilder. Het fantastische gevoel dat misschien nog het meest lijkt op krabben aan een korstje dat jeukt. Ik beet tot mijn kaken kraakten en deed mijn ogen dicht. De Man trok en rukte aan de bal tot het leek dat mijn tanden het zouden begeven. Dan draaiden we rond. Soms tilde Hij me lachend aan mijn tanden op en draaide me in een grote cirkel om hem heen. Mijn poten ver boven de grond. Tot in de wolken. Bal. Bijten. Bijten. Als ik losliet rolde ik duizelig door het gras.

Toen ik wakker werd, was het ijskoud in de bijkeuken. Terwijl ik me dichter tegen Timo aankrulde voelde ik de droom nog in mijn kaken als een levende herinnering. Maar waar we nu wonen, is geen park om met de bal te spelen denk ik. Ik weet het niet zeker. De enige keren dat we buiten komen is als we ons door het luik in de bijkeuken wringen. De tuin is een woestijn van tegels en roestende apparaten. De schutting is een paar weken geleden omgewaaid zodat we nu af en toe eten kunnen zoeken in de doolhof van steegjes en gangetjes achter het huis. Er zijn er ’s nachts meer zoals wij. Veel meer dan je denken zou. Haveloze, magere honden waar niemand meer voor zorgt. Honden met een vale vacht, waarvan je de ribben kunt tellen. Honden met een huis maar zonder eten. Het is moeilijk om aan voer te komen. Je kunt de vuilnisbakken niet omtrekken en je mag van geluk spreken als iemand een bakje kattenvoer buiten zet om zijn poes naar huis te lokken. Maar dat is kattenvoer.

De vrouw is weg, net als de Kleine Jongen. De Man is groter geworden en gevaarlijk. Onze etensbak ligt ergens glimmend schoongelikt in de hoek van de bijkeuken. Maar Timo en ik zijn erg op elkaar gesteld en vanuit de bijkeuken kunnen we het televisiescherm zien. Ik weet trouwens niet zeker of Timo daar erg aan hecht. Soms spitst hij zijn oren als er een hond op televisie is en heel af en toe kwispelt hij als hij een Kleine Jongen ziet. Misschien dat hij dan aan vroeger denkt, maar zeker weten doe ik dat niet. Gisteren, toen het buiten al heel lang donker was en De Berg rochelend lag te dromen, waren er grote honden op televisie. Een roedel grote, grijze honden die in een eindeloos park speelden waar het gesneeuwd had. De grote honden hadden geen bal en er waren geen Mensen om takken naar terug te brengen. Ze speelden een wild spel met een hert voor hen uitrende in de diepe sneeuw. Het hert had hoge poten, maar de grijze honden waren met meer. Ze joegen het hert op, hun lange tong uit hun bek. De honden hadden grote, witte tanden en gele ogen die in het donker op lampjes leken. Ze renden, met taaie spieren onder een dikke grijze vacht. Timo sliep onrustig, dicht tegen me aan en even stelde ik me voor hoe het zou zijn om weer met hem door het park te rennen. Steeds sneller, tot je longen pijn doen in de koude lucht. Sneller, wilder. De grote honden renden alsof hun leven er vanaf hing. Eerst over een grote witte vlakte, dan door een donker bos. Het was een spannend spel en steeds als ik dacht dat ze het hert te pakken hadden, maakte dat een vreemde bocht of een grote sprong zodat het buiten hun bereik bleef. De grootste hond rende steeds vlak naast het hert, zijn kop scheef. Hij beet naar de poten, maar telkens zonder ze te raken. De anderen kwamen steeds dichterbij. Plotseling sprong er één op de rug van hert. Het hert struikelde en de grootste hond zag zijn kans schoon en sprong naar zijn nek en beet zich vast in de dikke vacht. Bal. Bijten. Vasthouden. Even rende het hert nog door, met de woeste hond aan zijn nek. Het moest net zo voelen als een bal. Je kon zijn tanden zien, de kracht van zijn grote kaken. Ik kwijlde. De hond liet los en liet zich grommend voor het hert in de sneeuw zakken. De anderen lagen hijgend in de diepe sneeuw, hun tong uit de bek. Stoomwolkjes stegen op. Het hert stond stil. Langzaam kropen ze door de diepe sneeuw op hem af. Zenuwachtig spitste het hert zijn oren en keek angstig om zich heen. Maar de grote hond voor hem gromde en liet zijn tanden zien. Hij blafte kort en tegelijkertijd sprongen de anderen op het hert. Onwillekeurig beet ik in de stof van het dekbed. Vast. Toen zakte het hert door zijn poten. Terwijl de honden zich grommend tegoed deden, kleurde de sneeuw rood van zijn bloed.

3. Neer

Nooit bijt je in de hand die je voert. Dat is het belangrijkste om te begrijpen. Je gehoorzaamt je baasje, wat er ook gebeurt. Maar vandaag is het de vierde dag zonder ook maar iets gegeten te hebben. Timo is onrustig en hij ziet er steeds slechter uit. De Honger zit in iedere vezel van mijn lijf. Honger. Ik lig hijgend op het koude beton van de vloer. Honger vreet je weg. Letterlijk. En ik voel hoe het op mij kauwt en bijt en knaagt. Ik probeer mezelf comfortabel op te rollen, mijn neus in het warme plekje bij mijn achterpoten, maar na een seconde rol ik om en lig ik met bek op mijn voorpoten. Ik vraag me af hoe hert smaakt en ik merk dat ik kwijl. Ik zou alles kunnen eten nu, maar ik weet niet of ik de kracht zou hebben om te jagen. Timo jankt zachtjes. Zijn flanken gaan snel op en neer. De Man in de kamer hijgt en zucht en snurkt. Even doe ik mijn kop door de deur, maar De Berg beweegt en gromt. Ik schud mijn kop en ga liggen. Timo kijkt gehypnotiseerd naar het gele doosje bij de man zijn voet. Zijn neusgaten staan wijd open. Ik ruik wat hij ruikt. Natuurlijk ruik ik wat hij ruikt. Ik ben ouder maar niet doof. De Honger scherpt je zintuigen en breekt je af tot je bij je basis bent. Ik ben alleen nog maar een neus en een lege maag. Natuurlijk ruik ik de halve hamburger die nog in het doosje zit. Ik ruik hoe het rundvlees afkoelt, ik ruik hoe de zoete saus stolt en het broodje doorweekt. Ik ruik zelfs de schijfjes augurk en de fritessaus die kleeft aan het felgele piepschuim doosje. Natuurlijk ruik ik dat en Timo ruikt het ook. Hij heeft zijn kop laag, zijn tong bijna op de grond. Zijn neusgaten staan wijd open en doelbewust duwt hij me aan de kant. Hij is groter dan ik, valt me plotseling op. Hij zou zijn kop op de mijne kunnen leggen als hij zou willen. Ik probeer me hem voor te stellen als hij goed doorvoed zou zijn. Een forse hond met een smalle achterhand om snelheid te maken maar voldoende borst en schouders om zijn mannetje te staan. Nu duwt hij me aan de kant en beantwoordt mijn waarschuwing met een snauw. Eindeloos langzaam sluipt hij de kamer in. De vloer is rood verlicht en op televisie kreunen en hijgen mensen als spelende honden. Timo sluipt langs de muur, steeds voorzichtig over de pizzadozen heenstappend. Ik zie zijn ogen heen en weer flitsen van De Man naar het gele doosje bij zijn voet. Timo ligt achter de bank, waar De Man hem niet kan zien. Als je niet anders wist, lijkt het of hij naar de televisie kijkt. Hij ligt heel stil, tussen het afval dat De Man van zich af gegooid heeft. Centimeter voor centimeter kruipt Timo in de richting van de bank. Voorzichtig schuift hij zijn hele lijf steeds een klein stukje naar voren. Zijn oren in zijn nek, zijn bek halfopen. Plotseling beweegt De Man. De hele vleesberg komt in beweging en vanachter de deur van de bijkeuken probeer ik geluidloos Timo te waarschuwen. Hij knijpt zijn ogen samen en kijkt me een seconde aan. De Berg hijgt en kreunt. Hij roept iets wat ik niet versta. Even lijkt het of hij zich om wil draaien, maar ik begrijp Timo’s blik. Ik slik een keer en loop openlijk de kamer in, recht op hem af. Even moet ik denken aan het spel van de grijze honden op televisie. Ik denk dat ik zelfs grom, alleen om hem even af te leiden. Het werkt.

‘Wakrijgewenou? Gloeiende…’
De vleesberg komt in beweging en grijpt naast zich in de stapel vuil. Vanuit mijn ooghoeken kijk ik naar Timo die zijn spieren spant en zich zo plat maakt als hij kan. Nu grom ik, mijn tandvlees bloot. De nekharen in mijn nek staan overeind en ik zie hoe Timo tien centimeter in de richting van het doosje schuift. Dit doen we samen. Zoals we alles samen doen. Straks delen we samen de resten van de hamburger. Maar voor ik de gedachte af kan maken brulde De Berg die ooit ons baasje was. Maar De Man is onze baas niet meer. Honger is onze baas.
‘Wamoe je dan? Hé, wamoe je dan?’ Hij vindt de riem tussen de dozen en ik zie hem het uiteinde van de riem om zijn hand slaan. Het eind met de gesp dreigend slepend door het vuil.
‘Nou klerehond, moeje een pak op je falie?’
Timo piept, bijna onhoorbaar zacht, zijn ogen nu op mij gericht. Maar ik weet hoe ver ik kan gaan. Zo langzamerhand weet ik wel hoe lang de riem is en langzaam loop ik in een ruime boog om de bank. Weg van de deur van de bijkeuken en weg van Timo die op zijn buik rechts naast de bank ligt. Grommend, maar steeds buiten bereik van de riem.
‘Hebbet lef…’ dreigt De Man. Zijn enorme lijf trilt van woede en de gesp trekt trage cirkels naast zijn voet. ‘Hebbet leffes om in de buurt te komme…’ Langzaam komt hij overeind en doet een stap in mijn richting. Ik laat me op mijn buik zakken, mijn oren ver in mijn nek. Ik blaf en zie hoe Timo steeds dichter en dichter naar het doosje schuift. Als hij staat, lijkt De Man tot het plafond te reiken. Zijn benen zijn zo dik als een vuilnisvat en zijn buik lijkt de halve kamer te vullen. Hij is dichtbij nu, hij ruikt naar zweet, naar woede en naar eten. De Man draait zich om en ik kan niet anders dan een stap vooruit doen. Mijn tanden bloot. Binnen het bereik van de riem. Ik grom en zie in een flits de koperen gesp op mij afkomen. Het metaal fluit door lucht en knalt naast me op de vochtige vloerbedekking.
‘Neerrrrr jij….’ Brult De Man terwijl hij de riem naar zich toetrekt. Grommend kruip ik ineen en schuifel achteruit. Al mijn spieren gespannen. Weer knalt de gesp vlak voor mijn neus op de grond.
‘Neerrr! Geen gerotzooi met me eten, je zorgt zelf…’
En op hetzelfde moment springt Timo vooruit en pakt het hamburgerdoosje in zijn bek. Hij laat het vallen en probeert het gladde doosje weer in zijn bek te nemen.
Ik blaf hard. Misschien om De Man af te leiden of om Timo te waarschuwen. Maar ik ben te laat. Zijn been schiet verrassend snel omhoog en met een dreun plant hij zijn dikke voet in de nek van Timo.. De Man bukt voorover, pakt Timo hard in nekvel en drukt zijn kop tegen de grond.
‘Néér jij!’
Timo’s kop verdween tussen de dozen en de zakken. Hij kermt van de pijn. Mijn vacht lijkt elektrisch geladen en mijn bloed jaagt door mijn aderen. Ik blaf, De Man slaat de riem dubbel, en houdt met zijn andere hand Timo´s kop tegen de grond. Een moment lang kijkt De Man mij aan met een blik die ik niet snel vergeten zal. Het piepschuim van het hamburgerdoosje knarst in Timo’s bek.
‘Neer! Vulle straathond, zoek je eige vrete maar. Neer!!! Of zal ik je eens…’ De riem schiet fluitend door de lucht en kletst hard op Timo’s zij.

Maar toen sprong ik al. Toen beet ik al. Ik bijt met alle kracht die ik in mijn kaken heb. Met alle kracht van het slapen op beton. Met alle kracht van het bijten op het dekbed. En ik bijt door alsof het het rubber van de bal is. Hij smaakt naar metaal en ik probeer de geur te negeren. Ik bijt omdat De kleine Jongen weg is die elke ochtend de voerbak vulde. Ik bijt totdat ik bloed proef. Hij brult en slaat op mijn neus en ogen. Vast.
´Loslaten Wolf!´ hoor ik van heel ver De Kleine Jongen roepen. Maar ik houd vast tot De Berg zich opricht, met mijn kaken op slot in zijn nek. Hij slaat, maar het lijkt of alles langzaam gaat en ik heb tijd genoeg om aan de bal te denken, hoe lang het geleden is dat ik aan mijn tanden heb gehangen. Hoe lang het geleden is dat ik gegeten heb. Met mijn ogen dichgeknepen, tol ik door de lucht met mijn poten van de grond. Ik heb de bal en druk mijn tanden dieper in het rubber. Ik houd me vast met alle kracht die Honger in zich heeft. Al draai ik honderd rondjes om hem heen, ik houd vast. In die vreemde draaimolen zie ik Timo wegspringen. Ik raak de deurpost met een knal maar loslaten kan niet meer. Ik grom, met al mijn tanden bloot en ik heb de bal. Dan zie ik Timo hoog opspringen, De Berg wankelt en stopt met draaien. Verbazingwekkend langzaam komt plotseling de grond dichterbij, De Berg valt zoals een boom valt. De dreun is enorm en dozen vliegen door de kamer. Timo laat los om niet onder de vleesberg te komen, maar aarzelt geen moment als hij De Man ziet liggen. Ik ben duizelig, maar kan nog steeds niet loslaten. De Man kermt en slaat wanhopig van zich af. Hij piept als zo’n rubberen kip. Maar wij zijn met meer en ik laat niet los. De man ligt midden in de kamer op zijn rug als een reusachtige aangespoelde walvis, niet in staat zich te bewegen. Timo loopt in cirkels om hem heen en kijkt me aan. Hij kwijlt.

Ik heb de muur harder geraakt dan ik dacht. In elk geval doet lopen pijn en sleep ik met mijn achterpoot. Maar voor het eerst sinds De Kleine Jongen weg is, liggen we tevreden naast elkaar bij de verwarming. Voldaan, onze koppen dicht bij elkaar op een kussen. Sinds het donker is, wordt het kermen zachter als we eten. Ik denk niet dat hij er veel van merkt. Ik lik Timo achter zijn oor waar hij dat het prettigst vindt. Misschien kunnen we morgen wat anderen uit de buurt uitnodigen. Er is genoeg voor iedereen.

Categorieën
Duitse verhalen

Duitse verhalen

“Wat je van ver haalt is lekker,” zeggen ze. Alsof het zo is dat hoe verder we onze inspiratie vinden, hoe lekkerder het is. Goedkope vliegreizen, blogs en boeken benadrukken dat vaak. De Duitse verhalen zoeken het dichterbij. In een cultuur die in heel veel opzichten lijkt op onze eigen cultuur. Sommigen oude mensen spreken zelfs een dialect ‘Platt’ dat overeenkomt met de wortels van onze taal; het Diets.

Duitsers kijken vaak naar Nederland als een eigenaardig en zelfstandig ‘zeventiende’ Bundesland. We derlen veel tradities en gebruiken. Opgesloten achter het ijzeren gordijn lijkt het zelfs of sommige dingen beter bewaard zijn gebleven in Duitsland dan in Nederland. Maar misschien is het een kwestie van perspectief en is het lastig om het ‘alledaagse’ te blijven zien.

De Duitse verhalen zijn bedoeld als een ‘literaire documentaire’. Geschiedenis, literatuur en persoonlijke ervaringen illustreren het verhaal dat wordt verteld door deels fictieve personages.

Categorieën
Kort culinair literaire fictie

Home is where the heart is…

Het was vrijwel windstil, zodat de bedwelmende, zoete geur van de bloemen haar omringde als wierook in een kapel. Deze herfst was haar boom nog mooier dan anders. Ze was klein en had een keukentrap nodig om bovenin haar boom de verdorde engelentrompetten af te snijden. De bloemen waren wel dertig centimeter lang en hingen roerloos tussen de fluwelen bladeren. Als perfecte danseressen die ongeduldig wachtten achter de coulissen, dacht Christina. Hoe lang was het geleden dat zij zelf had gedanst? Teder streelde ze de bloem tot aan de krullende rand. Schitterende flamencojurken in adembenemend geel en maagdelijk wit. Ze ademde de geur in tot het haar duizelde en keek tussen de bladeren door naar de lucht. Boven de boerderij waren de wolken rood als de slotscène van een Disneyfilm. In het hok aan één van de schuren pikten de duivinnen koerend in hun voer.

Eten en wachten tot de doffers terugkwamen. Dat eeuwige wachten was de vloek van iedere vrouw. En elke avond staarde ze naar de lucht, maar de tijd stond stil en de wolken bleven leeg. ‘Maldição…’ vloekten haar lippen geluidloos. Ze spoog op de grond tussen de verwelkte bloemen. Toen stak ze een sigaret op en keek de rook na tot de sterren boven de boerderij verschenen. Zou hij diezelfde sterren zien, dacht Christina, waar hij nu ook was?

Autohof Lauenau

‘Just wait… okay?’ De Roemeen boog zich zwetend over de pannen. Spek, worsten en uien natuurlijk. ‘Taste-just like ze home…’ zei de man met een zwaar accent terwijl hij twee potten ingemaakte paprika in de pan leeg schudde. ‘This ies called letscho. And dies you call…rassol?’ Hij gebaarde vragend naar de augurken die hij met een zakmes in stukken sneed. Jan haalde zijn schouders op. Wat maakt het uit hoe een augurk heet in het Fries, het blijft een augurk. Jan pakte twee flessen bier uit zijn blauw-witte koelbox. Hij vond een plastic aansteker in zijn zak en wipte de dop eraf. Snel likte hij het schuim van zijn vingers en gaf de fles zwijgend aan de Roemeen. De flessen raakten elkaar en ze proostten in het Russisch. Jan leunde achterover en keek naar de lucht waar de rook van kleine barbecues en diesel onleesbare boodschappen schreef.

Lange schaduwen schoven over het asfalt. Olie in een plas water toverde een onverwachte regenboog die pas brak toen een truck voorbij rolde. Vrachtwagens zochten hun plek in het steeds veranderende labyrint van de parkeerplaats. Autohof Lauenau: de avond viel snel en koud. Even gevangen in het felle licht van de koplampen, leken de reizigers reuzen, geprojecteerd op het zeildoek van hun trucks. Sigaretten gloeiden als dwaallichten in het donker van het doolhof. Het was geen hoger doel dat Jan en de Roemeen hier samenbracht. Zoals iedereen hier deelden ze een moment in een reis zonder bestemming. Honderdvijfendertig trucks uit twintig verschillende landen die op het ritme van hun tachograaf door een grenzeloos Europa trokken. ‘Home is where the heart is.’ Een bordje dat thuis in de keuken hing. Misschien was het wel waar. Want zijn huis was nooit meer geweest dan een onderdak. Misschien had hij zijn hart wel verloren aan deze oceaan van asfalt. Aan het eeuwig en onrustig reizen. Aan deze havens waar de nomaden kookten op gasstelletjes tussen Dunlops en Continental. All weather. Altijd onderweg. Net zo lang, tot thuis niet meer is dan de geur van de soep die je deelt met een naamloze reisgenoot. ‘Soljanka!’ gromde de Roemeen tevreden smakkend. Paprika en paddenstoelen, augurken en varkensvlees. Het zoet en het zuur van het ontwortelde bestaan. Truckers zijn geen praters. Zwijgend knikte Jan toen de Roemeen een scheut wodka in zijn soep goot en lachte: ‘Just like ze home, yes?’
‘Da,’ loog Jan.

Een melkwitte duif vloog tussen de trucks door, zijn vleugels fluitend in zijn verdwaalde vlucht tussen de vrachtwagens door. Jan keek hem met een kennersblik na. Een mooie doffer, maar als hij zo laag vloog zou hij nooit op tijd thuis komen. Hij had van zijn vader geleerd dat een echte kampioen altijd honger heeft als hij vliegt. In het hok in Friesland zaten nog drie afstammelingen van Lucky White, de doffer die zijn vader in de laatste wedstrijd voor zijn dood onsterfelijk had gemaakt. Bij wijze van spreken dan. Van zijn vaders 36 duiven waren er nog maar weinig over. Een buurman nam de doffers soms mee bij een wedstrijd om in beweging te blijven. Soms droomde Jan dat hij de rust zou vinden om weer te gaan ‘spelen’ met zijn duiven. Fokken, trainen en weer wedstrijden vliegen… De gedachte verdween in het eindeloos zingende asfalt van de A2. Een monotone fado, gecomponeerd door duizenden rubberbanden. Christina had die onrust nooit begrepen. En hij had niet geprobeerd het uit te leggen. Hij haalde zijn schouders op en deed zijn klompen aan. Wat maakt het uit? Liefde is in het Fries precies hetzelfde als in het Portugees of in het Pools. Het was genoeg te weten dat Christina op de boerderij voor zijn duiven zorgde en op hem wachtte. Hoe lang dat wachten ook duurde.  

Jan had geen heimwee. Nooit. Zelfs niet toen de deur van de camper open ging. Haar grote borsten werden rood verlicht. ‘Just like ze home.’ lachte ze met een Pools accent. Toen doofden de knipperende letters ‘OPEN’ voor de voorruit en werd het nacht.

Home is where the heart is

‘Esperar, altijd wachten!’ schold Christina en ze klom de keukentrap op. De rook van haar sigaret prikte in haar ogen terwijl ze de lucht afspeurde. Onrustig koerden Jans duiven, al de hele week. Vandaag of morgen zouden zijn verdoemde duiven terugkomen. En Jan ook, beloofde ze zichzelf. De duiven pikten in hun veren alsof ze zichzelf gerust wilden stellen. Haar mes vond als vanzelf de verdorde kelken. Zij deden haar denken aan haar trouwjurk die ze droeg in het kerkje van Dokkum. Van de dienst had ze geen woord verstaan. Ze zuchtte toen ze zich de nachten in Mouraria herinnerde. Dansen in de armoedige buitenwijk van Lissabon waar ze Jan had ontmoet. Bijna twee meter lang was hij en stil als dit land waar hij geboren was. Het was liefde op het eerste gezicht, plotseling en hevig als een hartinfarct. En ze geloofde dat ze hem zou leren dansen, die stijve Hollander. Haar hart zou hem verwarmen, leiden en hij zou volgen… Maar steeds opnieuw verdween hij en liet haar achter met zijn duiven.

Haar gedachten werden onderbroken door het geluid van een enkele duif. De anderen hadden de reis niet overleefd, begreep ze onmiddellijk. Dagen te laat landde de doffer tussen de verdorde bloemen en pikte lusteloos tussen de tegels. Ze nam de vogel voorzichtig in haar handen, even wiekte hij onrustig. Veren streelden haar wangen en ogen. Nu was hij eindelijk thuis en mocht hij eten. Voorzichtig liep ze naar binnen waar het koel was. Zacht streelde ze de stoffige veren. Ze doopte haar vinger in een kommetje water en hielp het beestje drinken. Ze danste met de duif, troostte hem in het Portugees en voelde het hart van het beestje wild kloppen onder het zachte dons van zijn borst. Toen knielde ze op de tegels en vouwde haar handen alsof ze bad. Ze kneep niet, dat was niet nodig. Een groot hart vol liefde en haar twee tedere handen waren genoeg. Het duurde maar even, een paar seconden maar. Toen voelde ze het hartje niet meer en rustte de kop van de doffer op haar wijsvinger, starend naar een bordje dat boven de keukendeur hing.

De duivinnen lieten zich gemakkelijk hun hok uit lokken met een handje voer. Postduiven zijn topsporters. Zeker marathonduiven en dagfondduiven die wel 1000 kilometer vliegen of meer. Wat overbleef waren een paar donkerrode karkasjes die net op een eetlepel pasten. Neuriënd maakte ze het aanrecht schoon. Een glas water per duif. Dan uien uit de moestuin, donkerbruin gebakken met wat honing. Wortel natuurlijk, wat prei, jeneverbes en andere kruiden. Bouillon: dit recept was zo eenvoudig, dat het overal ter wereld hetzelfde moest zijn. Christina bakte het vroege eekhoorntjesbrood dat ze had gevonden onder de eiken voor het huis samen met wat port. Vier uur gaarde de bouillon van kampioenen. Maar soms is koken niet genoeg om je man thuis te houden, had haar moeder voorspeld. En daarom roerde ze onderwijl in de theepot waarin vier van haar verwelkte feeën een trage rondedans deden. Ze keek naar de lucht die nog leger leek dan gisteren, naar de bloemen die als doodstille danseressen in haar boom hingen. Zij noemde haar Engelentrompet fluisterend dievenboeket en wist dat de lijfarts van Napoleon, Brugmansia, de werking van de bloemen had ontdekt. In haar familie was al eeuwen bekend dat een paar druppels van het extract volstaan om een man zo mak te maken als een bejaarde herdershond. Christina dacht aan haar vader: een paar druppels waren genoeg om die rusteloze zeeman te veranderen in een ‘zombie’. Een huisvader zonder herinneringen aan de zee.

Een rilling van opwinding gleed langs haar ruggengraat. En als vanzelf danste ze door de keuken. Een fado vol verlangen naar haar man, ver weg op op zee. Saudade. Dit was thuis. Het wachten waard: een kaars, wat wijn en geurige bouillon. De koelte van de avond in de keuken en de stilte buiten in het duivenhok. Ze vouwde haar handen in haar schoot en glimlachte: ze zou hem nooit meer laten gaan. Plotseling stond ze op om de bouillon in de borden te schenken. Ze schikte de gebakken hartjes met wat paddenstoelen in de diepe borden nog vóór ze de zware banden op het erf hoorde. Eén bord bouillon met een borrelglaasje met jenever en de bloemen. Boerenbont met een barst. Jan Jacob was thuis, voor altijd thuis.

Dit verhaal is eerder verschenen in 
Bouillon! Het gastronomisch magazine in boekvorm. 
Categorieën
Kort culinair literaire fictie

Vasten

(Deus ex Machina)

Januari. Ze had het klooster gemakkelijk gevonden, eerst de trein naar ’s Hertogenbosch en dan bus 265. Mensen hadden haar voor het laatst gezien op een bankje bij de veerpont. Roerloos, omringd door witte duiven. Dat was geen wonder, want ze voerde hen chips uit een grote zak die naast haar stond. Om haar heen lagen versnipperde tijdschriften en boeken. Haar verhalen die de essentie steeds hadden gemist. Het was al avond toen de zak leeg was en een windvlaag hem plotseling oppakte. Even tolde hij over het pad als een speelse kater, toen vloog hij hoog de lucht in. Dat was een teken, dacht ze. Daarom was ze hier. Om zo licht te worden dat ze op een zuchtje wind weg zou kunnen vliegen. Toen verdween ze ongezien in de schaduw van de poort en haastte zich in de richting van de kapel.

Ze herinnerde zich hoe in die eerste weken in het klooster de stilte het langzaam won van de deadlines, scripts, stemmen en sterren. Nu was het april. Ze glimlachte trots: de hele vastentijd van veertig dagen had ze niets gegeten en gedronken. Natuurlijk had ze in het begin aan eten gedacht. Maar dat was ze als culinair journalist wel gewend. Een leven gewijd aan eten: aan het zoeken naar de essentie. Of beter, naar de essentie van het bestaan! Ze had het gezocht in de keukens van de hogepriesters van smaak, de monniken van het mondvermaak. Ze had hun leugens van hun lepels gelikt, geslikt als een amuse. Ze was verdwaald in een wereld die verslaafd was aan smaak. Ze beet op haar lip tot ze bloed proefde. Want nog meer dan de mensen, vervloekte ze haar lichaam dat om eten smeekte.

Want behalve de glossy’s, sterrenrestaurants en bijbehorende ambities, waren er ook de klinieken en ziekenhuizen. Haar gezicht vertrok toen ze aan de naalden dacht, het infuus dat haar voedde als ze erachter kwamen dat ze vastte. “Zevendertig jaar,” fluisterde ze gefrustreerd. Gevangen in een lijf dat hunkerde naar vet en als een peuter vrat en zeurde om te blijven leven. De eindeloze sessies waarin ze naar dat lijf moest kijken in de spiegels van psychologen. Het wikken en twee maal daags wegen. Het praten tot ze een ons woog of nét iets te weinig. Net zo lang tot ze op de zondag na haar verjaardag voorgoed verdween en voor altijd stopte met eten.

vasten

Jonnie Boer, Goossens, Sergio natuurlijk – een reis langs de sterren waarin ze proefde, schreef en zocht. Het had haar zelf tot een ster gemaakt. Maar nu glimlachte ze om die vruchteloze queeste omdat ze begreep dat de kern niet in hun keukens lag maar hier in het klooster, in stilte. Want híer kon ze hem horen, in de honger die groot en leeg was als een woestijn.

Vandaag was het de donderdag voor Pasen. De dag van het laatste avondmaal. Het water liep haar in de mond bij het woord. Maar ze mocht niet eten. Veertig dagen vasten. Veertig dagen in de woestijn, dat had hij zelf gezegd.

Ze streelde het koekje met trillende vingers. Het was een eenvoudig recept: een beslag van meel en water dat een nacht moest rusten en de dag daarna gebakken werd. Voorzichtig legde de voormalig culinair journalist een stapel van zestig vellen ouwel op een draaischijf en liet langzaam de boor zakken. Zestig perfect ronde hosties die aanvoelden en smaakten als stevig karton. Een duizeling en de bakkerij begon om haar heen te draaien.
“Het lichaam van Christus,” noemde de priester de hostie. Hilde fronste diep toen ze zich opeens de man in de witte jurk herinnerde. Ze was dertien, het jaar dat ze leerde dat alle mannen beesten zijn en op school dat iedereen afstamt van apen. En het was het jaar dat ze hem voor het eerst hoorde. ’s Nachts alleen in bed, als hij vertelde over het brood dat op haar tong in een lichaam veranderde. Een druppel zweet gleed van haar voorhoofd en spatte glinsterend uit elkaar op de marmeren tafel. Dát was een wonder. En zo was Maria zwanger geworden, vertelde hij. Ze was een meisje nog, maar ze kon proeven dat het waar was. “Ben je daar?” fluisterde ze. Ze gleed onderuit en greep de tafel. Haar voorhoofd raakte de grond als een stier in de ring. Toen werd het donker.

De zusters stonden om haar heen, de jongste van hen werd volgende week zeventig. Hun witte gewaden ritselden als beukenblaadjes toen ze elkaar aankeken en bezorgd haar voorhoofd streelden. Het leken feeën uit een sprookje. Maar te groot, dacht Hilde, en veel te zwaar om een engel te zijn.

“Ze heeft koorts,” stelde één van hen vast. De anderen knikten. “We kennen haar niet. Voel eens hoe mager ze is!” Net na de jaarwisseling hadden ze haar in de kloosterkapel gevonden. Een retraite had ze het genoemd, maar natuurlijk had ze gelogen.  “Ze is ziek…” fluisterde de jongste van hen. “Laten we een dokter bellen alsjeblieft.”

Ze drukte een glas tegen Hildes lippen maar ze schudde haar hoofd en duwde het glas weg.

Het laatste avondmaal

Ze lag op haar rug. Een bedlampje verlichtte de balken in het plafond. Een bord stond onaangeroerd naast haar. In de hoek van het raam fladderde een nachtvlinder die de weg naar buiten zocht. Een balk kraakte en opeens voelde Hilde dat ze niet alleen was. Ze liet zich van het bed op haar knieën glijden en even was het of iemand zacht haar schouder aanraakte.  “Je gedachten moeten nog lichter worden als je bij me wilt zijn,” fluisterde de stem die ze zo goed kende. Ze hield haar adem in en kneep haar ogen dicht. “Lichter dan lucht. Zo licht dat je kunt ontsnappen aan deze wereld.” En in een flits, na al die jaren wist ze wat ze had gezocht.

“Ben je daar, liefste?” fluisterde ze. “Ben je daar eindelijk?” Duizelig stond ze op en wankelde haar kamer uit. Het was alsof ze haar voeten de grond niet raakten, alsof ze over water liep. Haar lichaam was nu bijna verdwenen, haar gedachten doorzichtig.
De deur van de hostiebakkerij kraakte. Minuten lang stond ze als betoverd in het licht van de bijna volle maan. Haar jurk gleed van haar af en bleef liggen als de cocon van een reusachtige nachtvlinder. Naakt stond ze tussen de machines en de voorraad. Haar lijf hunkerde ernaar om aangeraakt te worden, smeekte om nooit meer alleen zijn.  Zacht raakte ze haar voorhoofd aan. Ze kreunde omdat het was alsof ze zijn lippen voelde op haar hete huid. Dan haar borsten, haar tepels, eerst links dan rechts. Haar lichaam gloeide, beefde. Haar vingers streelden het wafelijzer waarin de hostie werd gebakken.  “Engelenbrood,” fluisterde ze. Gods lichaam uit een machine.

En met haar ogen gesloten graaide ze de honderden hosties van de droogrekken. Ze scheurde de zakken open die voor Pasen de wereld in zouden worden gestuurd. Honderden hongerigen die kwijlend en knielend tevergeefs zouden wachten op dit brood.  Ze trok een rek omver en haar lichaam werd bedolven onder de perfect ronde hosties. Met handenvol stopte ze de ouwel in haar mond. Zijn stem, zo dichtbij! Ze schranste tot de laatste verhalen verdwenen en eindelijk dat perfect ronde gat in haar ziel gevuld was. Ze huilde omdat ze voor het eerst van haar leven niet alleen was. En opeens hoorde ze hem zeggen: “Eet, dit is mijn lichaam…”

Deus ex machina, een wonder

Ze struikelde het klooster uit dat als een vierkant om de binnenplaats gebouwd was. Dat vierkant stelde de wereld voor, je lichaam. Dat hadden de zusters verteld.  In het midden van de binnenplaats was een put: de cirkel waarvanuit de stilte het klooster vulde. Hoe vaak had ze niet hunkerend vanuit de gang naar dat midden gekeken. Gevoeld hoe waar het was. Hoe vanuit haar eigen hart haar lijf zich vulde met die ene stem. Maar nu stroomde de put over. Colonnes van honderdduizenden sprinkhanen kropen met  knarsende kaken uit de diepte. Ze waren bijna zo groot  als een vinger en kropen knersend over elkaar heen als miniatuur pantservoertuigen. Traag door de koelte van de nacht vlogen ze op om een paar meter verder weer te landen, kruipen, ritselen. Als zand in de woestijn.

Ze was klaar. Ze knielde bij de put en voelde het grind niet meer. De insecten die onder haar knieën kraakten en haar benen en buik bedekten. De honger was verdwenen. Ze staarde naar beneden tot ze in die spiegelende diepte de sterrenhemel zag. Haar lichaam was voldaan en haar ziel werd licht als een lege zak chips. En op dat moment verloren haar gedachten ieder gewicht en steeg ze op. Een centimeter eerst,  haar hakken weifelend, nog net boven de stenen. Maar al snel steeg ze op in de richting van de sterren. Glimlachend zag ze het klooster verdwijnen. Verbijsterd zag één van de zusters haar opstijgen langs haar raam – nog geen halve meter van haar vandaan. Nog jaren herinnerde ze zich de rode putjes van het grind in haar voetzolen.

Toen ze haar vonden, trok juist een vallende ster een heldere streep door de nacht. Natuurlijk wisten de zusters wel dat zoiets niet meer was dan een steen was die verbrandde tijdens zijn val. Toch glimlachten ze toen ze haar lichaam moeiteloos optilden en naar binnen droegen. Voldaan en vervuld van een vreemd geluk. Alsof hun eigen hart op dat moment wat lichter werd.

Dit verhaal is eerder verschenen in 
Bouillon! Het gastronomisch magazine in boekvorm.