Categorieën
Tischkultur

Serie Tischkultur

Regels zijn regels. En wie de regels overtreedt – krijgt straf. Zo simpel is het. En nergens ter wereld zijn die regels zo belachelijk als in Zwitserland. En nergens zijn de straffen zo streng als aan tafel. En nooit zijn ze zo gruwelijk als met Kerst. Tischkultur vertelt het verschrikkelijke verhaal van de regels aan tafel bij de familie Sand. Een overheerlijke kaasfondue en vader zo nauwkeurig als een polshorloge en regels – zo scherp als een zwitsers zakmes. Eet smakelijk!

Tischkultur is een kort verhaal uit de serie Aan Tafel Verschrikkelijke vertellingen om voor te lezen aan tafel of onder je kussen te verbergen voor het slapen. Meer onsmakelijke afleveringen, verhalen en boeken vind je op de site. 

Categorieën
Tischkultur

Tischkultur aflevering 1

Het bleef doodstil aan tafel. Mijn moeder frunnikte zenuwachtig aan haar servet. Met een verkrampt lachje keek ze de tafel rond, de blik van vader vermijdend.
‘Nou, dat is in elk geval een heel origineel voorstel van papa toch? Wil er iemand nog wat te drinken, terwijl we er even over nadenken?’

Papa

Ze maakte aanstalten om op te staan en naar de keuken te lopen. Vader schudde zijn hoofd en legde zijn hand op de hare. Hij zat aan het hoofd van de tafel, van waar hij het hele gezin kon overzien. Als een chirurg schikte hij zijn bestek op het servet naast zijn bord. Kerst. De zorgvuldig gepoetste messen en vorken glommen in het licht van de kandelaars. Het bestek met het zilveren vogeltje in het heft en natuurlijk de lange fonduevorken met aan het eind twee vlijmscherpe harpoenpunten. De eettafel was gedekt met het witte tafelkleed dat nog van mijn oma was geweest en in de hoge wijnglazen fonkelde witte wijn. De gordijnen waren dicht en de kamer was zo donker dat het huis gekrompen leek tot een grot waar alleen de tafel nog in paste. 
Vader schudde zijn hoofd: ‘Hier wordt geen hap gegeten voordat de regels voor iedereen duidelijk zijn.’

Twee levens
Steeds vaker en langer moest hij in Zwitserland zijn, waardoor het soms leek of we twee levens hadden. Het leven als hij  in Zwitserland werkte en mijn moeder harde muziek van vroeger draaide en uren aan de telefoon zat met haar vriendinnen. In die maanden had ze vaak een baantje – voor de gezelligheid – en aten we als ze thuiskwam pizza. Een paar keer per week kwam Ben langs. Ben was een enorme kale man die een paar straten verder woonde. Hij had geen werk en rook altijd een beetje naar bier en sigaretten. Ben zat vol grappen. Soms nam hij een zakje mais mee en maakte hij popcorn in een grote pan. Terwijl de pan op het gas stond haalde hij het deksel eraf voor de popcorn klaar was. Dan renden Claudia en ik door de keuken met onze mond wijd open om de rondvliegende popcorn op te vangen. Zijn grootste plezier was het houten vogeltje in vaders koekoeksklok. Als je zijn verhalen moest geloven was hij zeeman geweest en had hij de hele wereld gezien. Maar in geen enkel land, vertelde hij, was hij ooit zoiets afzichtelijks tegengekomen als de koekoeksklok van vader.
Op het hele uur hield hij gesprekken met het vogeltje. 
‘Ik leer Zwitsers van hem!’ riep Ben verontschuldigend als mijn moeder de tranen in haar ogen had van het lachen.
Op het  halve uur, als de koekoek één keer naar buiten kwam, gooide hij doppinda’s naar de klok. ‘Hebben jullie Franzel al eten gegeven?’ Daar moest hij zelf zo om lachen dat de borden in de keukenkast ervan rammelden. 

En we hadden natuurlijk het leven als vader thuis was. Vader, die in zijn stoel zat te lezen met steeds een half oog op zijn klok. Samen met  de koekkoek bewaakte hij iedere minuut van ons leven. Nauwgezet en stipt. Etenstijd. Huiswerktijd. Boekenleestijd, Bedtijd, en ‘s ochtends om zes uur op. Rust, regelmaat en nog iets met een ‘r’. We slopen op onze sokken door het huis en spraken met twee woorden en dan nog alleen als ons iets werd gevraagd. Ons speelgoed lag in kratten op zolder en de televisie bleef uit. Als hij kwam kon je dat weken van tevoren merken. Langzaam werd het huis schoner tot de vloeren blonken als een spiegel in een warenhuis en de woonkamer eruit zag als een etalage.

Deze keer was hij bijna een half jaar weg geweest. En op de een of andere manier was ik gewend aan het leven met ons drieën en Ben. Stiekem hoopte ik dat hij nooit weer terug zou komen. Maar in november werd mijn moeder steeds stiller. Avonden lang stond ze met  een nors gezicht bij de strijkmand en stoomde en vouwde en steef  tot mijn kleren strak als een stapel pizzadozen in de kast lagen. ’s Avonds als we naar bed waren hoorden we haar nog lang praten met Ben, zonder te lachen. Een week voor kerst werden we de stad door gesleurd. Thuis keurde ze kribbig de kleren die ze  voor ons had gekocht. Claudia stond voor de spiegel en plukte onwennig aan haar roze jurk. 
‘Ik lijk wel een soort pop…’ zei ze verbaasd.
Ik kreeg een zwart fluwelen broek en een wit overhemd met een hoog, stijf boord dat in mijn nek kriebelde. 
‘Kijk eens… dat staat je prachtig…’ zei moeder flauwtjes terwijl ze een zwart lint om mij nek knoopte.
Brullend van de lach zat Ben op de rand van het bed. Hikkend zette hij zijn flesje bier op het nachtkastje. 
‘Haha… is dat voor de kerst? het lijkt wel The Sound of Music! Moeten ze dat écht aan? Of doen jullie mee in een soort toneelstuk?’ hinnikte hij. ‘Het lijkt wel een kindermuseum hier! Nou Ingrid, laat je ook nog zien wat je voor jezelf gekocht hebt?’
Maar moeder was te gespannen om te lachen. Venijnig draaide ze zich naar hem om.
‘Hou op Ben, Jij weet niet hoe Franz is als hij weg is geweest. Niet hoe hij écht is… ‘

Regels zijn regels

Vader nam een slok wijn en veegde zijn donkere lippen af met het servet dat op zijn schoot lag. 
‘Nu, is het voor iedereen helder dan? Iedereen weet weer wat de regels zijn?’ 
Niemand durfde iets te zeggen, of zelfs maar te knikken. Claudia staarde naar haar bord. Moeder roerde even in de pan en lachte naar me. Ik rook de gesmolten kaas en de scherpe geur van de lampolie in het rechaud onder de pan. Het huis was stil, je hoorde alleen het dorre tikken van de klok en de cd met kerstliedjes uit mijn vaders dorp. Zware, donkere stemmen die steeds lager en trager zongen tot ze klonken als een sombere groep beren in de regen. Ik  keek naar de klok die de vorm had van een Zwitsers huisje, met daarvoor een houten hekje. Volgens mijn vader had een beroemde klokkenmaker tot op de millimeter precies het huis van mijn opa en oma na gemaakt. Het luikje van het vogeltje was hun slaapkamer. Ik was nog nooit in Zwitserland geweest. 
‘Later misschien,’ zei mijn vader als ik hem ernaar vroeg. ‘Als ik me niet voor jullie hoef te schamen en jullie weten hoe het hoort.’ 
Iedere keer als hij weg was geweest, sprak hij slechter Nederlands. Hij sprak met een zwaar accent en moest soms zoeken naar de juiste woorden. 
‘Ik weet wel hoe het hier gaat. Hierrr… In Niederland en thuis –  als ik er niet ben. Alles moet maar kunnen en een ieder doet maar wat hij wil…’ 
Hij praatte met harde, korte woorden en zijn ‘r’ rolde over tafel als een grote stalen kogel. Zijn ogen fonkelden in het kaarslicht. 
‘In Zwitserland zie je geen snotkinderen op straat en wast iedereen zijn handen. Daar spreekt men met twee woorden en poetst iedereen zijn tanden. Daar zijn kinderen hun ouders niet tot last, daar ligt geen stof onder de kast…’ Even schoot zijn blik naar mijn moeder die blozend het brood in de mand schikte. 
‘En weten jullie waarom? Omdat men daar nog weet hoe het hoort!’  Hij kneep hard in zijn servet en ik zag zijn knokkels wit worden. 
‘Dit is geen spel moeder. Wij doen dit om samen die Kiender iets te leren. Etiquette! Dat zij weten hoe het hoort. ‘ Ik voelde zijn blik als de punten van een fonduevork in mijn kruin prikken. Ik was acht, maar ik wist al dat het woord etiquette niets te maken had met de stickers op  jampotten, maar met regels. Strenge regels. Zwitserse regels!

Kerstavond

Kerstavond aten we kaasfondue. Ieder jaar. Het recept voor de fondue was een gekoesterd geheim van minstens zes generaties van de familie Sand. Dagen van tevoren rook het hele huis naar de ingrediënten die mijn vader meegenomen had uit Zwitserland. De kazen lagen op een keukenplank uitgestald als rariteiten in de vitrine van een museum. Er waren grijs-bruine gedeukte blokken die eruit zagen als keien en andere als vreemde oranje sponzen. Sommige kazen waren  in stro verpakt en roken naar schapenmest. Er was er één die eruit zag als een kwal die traag druipend zijn doosje  probeerde te ontvluchten. De worsten hingen aan stalen haken in de keuken en zagen eruit als kromme, dode takken waar iemand poedersuiker overheen gestrooid had. De kaas moest zo langzaam smelten dat mijn vader twee nachten op de bank sliep om op gezette tijden kaas toe te kunnen voegen aan het mengsel in de pan. De ochtend voor kerst voegde hij ook de laatste toe, een bleekgele kwak die leek op de schimmels in een vergeten macaronipan. Vanaf dat moment week hij niet meer van het fornuis en roerde uren lang met een speciale houten lepel in de fondue. Zonder een moment zijn ogen van de fondue te halen, riep hij zijn orders het huis in om precies om zeven uur te kunnen eten: ‘Claudia! Zijn die servetten al geperst? Moeder, het tafelkleed moet nog gestreken worden! Jij daar – laat de kandelaars eens zien… Noem jij dat poetsen? Apenwerk! Moet ik jou soms leren poetsen?’
En langzaam vormde zich de kaasfondue van Sand,  een dikke donkergele brei waarin grote kauwgombellen groeiden die plotseling met een zacht ‘plop’ openknapten. 
‘De kaas moet lachen.’ zei vader terwijl hij geconcentreerd in de grote heksenketel staarde.
Om zes uur precies zette mijn vader het gas laag en controleerde hij de tafel. De broodmanden stond afgedekt op tafel. De kaarsen brandden rustig. Grommend verschoof hij de armlange fonduevorken en schikte hij de schaaltjes augurken en zure paddestoelen rond het rechaud. Met een doekje veegde hij de vingerafdrukken van de borden. Tenslotte sleep hij het grote koksmes en legde hij de snijplank met de worsten op tafel. Hij keek naar de klok. ‘Aan tafel dan, familie.’ zei hij tevreden knorrend. En terwijl we de stoelen aanschoven antwoordde de koekoek gehoorzaam. 

Mama

‘Als de regels voor een ieder duidelijk zijn,’ zei hij harder ‘kunnen we misschien gezellig eten dan?’  Zijn blik gleed van mijn moeder via mijn zusje naar mij. 
‘Claudia?’
Ze knikte, bijna onzichtbaar.
‘Rechtop zitten dan!’
‘En jij, denk jij dat je je ook kunt gedragen nu je vader weer thuis is? Denk jij dat jij misschien een beetje cultuur kunt laten zien?’
Ik knikte. 
‘Ik hoor jou niet… ‘
‘Jawel vader, eet smakelijk vader.’
Een glimlach verscheen op zijn  lippen en zijn vinger gleed langs zijn glad geschoren kin. 
‘Daar ben ik heel blij om. Ik wens jullie…’ even zocht hij naar het juiste woord ‘…een smakelijke maaltijd.’ Geconcentreerd drukte hij een stukje stokbrood op de twee tanden van zijn fonduevork. 
‘Eet smakelijk vader,’ zeiden we in koor.
Hij doopte het brood in de fondue. Mijn moeder glimlachte: ‘Nou het ruikt in ieder geval heerlijk!’
Hij glimlachte zonder zijn brood uit het oog te verliezen. Hij hield de lange fonduevork tussen duim en wijsvinger en draaide zijn brood langzaam rond in de dikke gele massa. ‘Schaffenputzer van die Alm, rauwmelkse Hottentaler, Rundkopfkäse van die schapen voor dat zout’  Plechtig noemde hij één voor één de kazen op die hij gebruikt had. Bij elke naam keek hij naar één van ons en draaide het brood om en om in de kaas. ‘De allerbeste Tellerheimer, Graue Schwanztaler, Krautenzieg voor dat beetje zoet op het midden van de tong, Hundstaller monniksbuik en Ziemelmädel…’ Hij keek naar mijn moeder die flauwtjes knikte. Zijn hand streek teder over het helderwitte tafellinnen. Claudia en ik zaten met onze handen in onze schoot en staarden naar ons bord. Traag draaiend met zijn vork hengelde vader zijn broodje omhoog. Vanuit onze ooghoeken keken we toe hoe hij de steeds dunner wordende draad om het brood draaide. Met zijn gewone vork schoof vader het broodje van de fonduevork op zijn bord, sneed het in tweeën en stak het in zijn mond. Keurend keek hij naar het plafond. Zijn zwarte wenkbrauwen fronsten en zijn donkere gezicht rimpelde als een verdroogde aardappel. Hij kauwde langzaam met open mond en een klein wolkje stoom kringelde omhoog tussen zijn donkere lippen. 
‘Grrrmmmmmmm…’ gromde hij. ‘Ieder jaar wordt het beter…’ Hij legde zijn vork op zijn bord en legde zijn handen plechtig naast zijn bord. ‘Maar nooit zo goed als bij mijn Mutti.’ 

Vader stond op en haalde een klein, zwart fluwelen zakje uit de binnenzak van zijn colbert. Op het zakje was met gouddraad een krullende letter ‘S’ geborduurd. Hij trok een kandelaar naar zich toe en opende voorzichtig het fluwelen zakje. Met trillende vingers haalde hij er een klein boekje uit, met een kaft gemaakt van berkenschors. Het was niet groter dan mijn hand en ik zag hoe vader het boekje teder streelde. 
‘Ik kreeg dit boekje van mijn vader, die het op zijn beurt kreeg van zijn vader.‘ zei hij met trillende stem. Hij keek me recht in mijn ogen tot ik bloosde.  ‘Al meer dan honderdveertig jaren draagt de oudste zoon van Sand dit boekje op zijn hart. Elke dag. En in dit boekje staan alle regels die onze familie samenbindt. Dit boekje,’ hij bladerde voorzichtig door de gelige bladzijden, ‘ is onze geschiedenis, het heden en de belofte voor onze toekomst.’
Ik hoorde de wind langs het raam en het rammelen van een vuilnisbak in de tuin. De lucht was zwaar en stil.  ‘Lang geleden zei de grootvader van jullie grootvader het zo:’

Bergen reiken tot hoog in de wolken.
Duistere dalen vervagen het woud. 
Dood en verderf loeren er op degene
Die zich er niet aan de paden houdt.

Regels zijn de paden door ’t leven.
Ze leiden je veilig van a naar b.
Luister naar mij en doe als je vader:
Neem altijd je rugzak vol regels mee.

Zorg dat men steeds op je rekenen kan.
Wees punctueel waarheen je ook gaat.
Denk maar aan onze koekoeksklok:
Altijd op tijd, geen seconde te laat.

Tischkultur

Eén voor één staken we een stukje brood op de fonduevork en doopten het in de fondue. Zwijgend wachtten we op onze beurt en keken gespannen hoe de anderen aten. Mijn moeder deed haar uiterste best er een gezellige avond van te maken. 
‘Nou, je hebt jezelf overtroffen vader!’ riep ze enthousiast over het berenkoor heen.   ‘Wat jammer dat opa en oma het niet kunnen proeven zeg. Dit is nou echt genieten potverdorie…’
Mijn vader fronste: ‘Moeder… die woorden?’
‘Ach ja, woorden. Ik bedoel alleen …  Het is zo gezellig met zijn allen aan tafel. Dat is ook veel te lang geleden eigenlijk . Ik ben zo blij dat…’
Het hele gezin keek toe hoe ze haar broodje uit de pan haalde. Ze sneed het op haar bord  in tweeën en nam een hap. 
‘Oh heerlijk Franz! Alsof je midden in de bergen zit.’ 
Ze beet het tweede stukje brood van haar vork en keek ons ontspannen lachend aan, zich niet bewust van de  lange draad kaas die van haar tanden naar haar vork liep. Machteloos keken we toe hoe de draad steeds langer en dunner werd tot hij als een slap koord van een koorddanser bijna tot op het tafellinnen hing. Mijn mond viel open en zelfs de klok leek een slag over te slaan. Het leek of de je de draad kon horen knappen. 

Tik. 

De kaas plakte aan haar kin en liep over het witte kant van haar jurk naar haar bord. 
‘O jee, wat doe ik nou? Wat zit ik te knoeien zeg…’ lachte ze.
Vader vouwde met een beslist gebaar zijn servet op en veegde langs zijn mond. 
‘Moeder!’ Zijn ogen fonkelden. 
Met zijn vlakke hand sloeg hij naast zijn bord. De glazen rinkelden. 
‘Zou jij in mijn bijzijn in ieder geval je best kunnen doen deze kinderen wat tafelmanieren bij te brengen? Of moet hun grootvader denken ik een stel apen opgevoed heb?’  Met driftige gebaren poetste hij zijn fonduevork. ‘Nou? Apen!’
Moeder beet op haar onderlip en probeerde snel de dikke kaas van haar jurk te poetsen. Zelfs in het kaarslicht zag je de grote vetvlek in het witte kant. Ze bloosde. ‘Nou eet lekker verder… ik ga even mijn jurk schoonmaken.’ 
Ze stond haastig op en liep naar de keuken. Ook vader stond op, pakte haar stoel en zette die in de woonkamer. 
‘Tischkultur,’ zei hij toen hij ging zitten.  ‘Tischkultur, dat is wat de Hollanders missen. Dat woord ‘Tafelcultuur’ dat leren zij niet in de school, het bestaat niet eens in jullie taal. Tischkultur is zoveel meer dan een mooi gedekte tafel en een goed bereid maal. Tischkultur is de subliemste vorm van etiquette, voor een gezin de hoogste vorm van kunst. Als men al aan tafel niet weet hoe het hoort, hoe moet dat dan in de gemeenschap?’ Hij praatte hard zodat mijn moeder hem in de keuken kon horen.  ‘Tischkultur houdt het menselijk ras bij elkaar. Een gezin aan tafel. Zoals het hoort.  Dat is het enige wat hen onderscheidt van apen. ’ 
Bij het woord apen keek hij me aan tot ik mijn ogen neersloeg. 
‘Jullie moeder eet vanavond als een klein kind in Zwitserland, staand aan tafel om goed de volwassenen te kunnen zien en hen te bedienen. Daar leren ze van.’ 

Toen ze terugkwam leek mijn moeder een moment te zoeken naar haar stoel – maar ze gaf geen krimp. Ze stond onhandig bij de tafel en keek even mijn vader aan. Toen boog ze haar hoofd en glimlachte. 
‘Nou wat een streng spel – als ik zo sta kan ik ieder geval niet  op mijn nieuwe jurk knoeien. ’

Ik

Het was mijn beurt. Zorgvuldig had ik van tevoren het broodje gekozen dat ik uit de mand zou pakken. Niet te groot – grote broodjes waren stevig maar werden snel  zwaar en konden van de vork vallen. Klein stukjes waren licht maar zogen teveel vocht op. Ik voelde hoe het gezin iedere beweging volgde. Onder mijn wimpers door keek ik naar vader.  Als hij even niet op zou letten zou ik het broodje dubbel kunnen vouwen waardoor ik de fonduevork door vier korsten kon duwen. Maar ik zag hem ontspannen naar me kijken. Snel drukte ik het brood stevig om de steel van de vork. Ik zag hoe mijn vingers trilden van spanning. Nu de vork in de kaas dopen, lang genoeg om niet onbeleefd te zijn en kort genoeg om het brood stevig te houden. Even draaide ik de vork door de warme massa. Voorzichtig haalde ik het broodje boven. Geschrokken zag ik hoe het brood langzaam van de tanden zakte. Wanhopig probeerde ik de kaas als een soort touw om het brood en de vork te wikkelen zoals ik mijn vader had zien doen. Mijn maag draaide om in mijn buik toen ik zag hoe het brood steeds verder scheurde. Snel stak ik het brood in de kaas. Koude zweetdruppels rolden langs mijn ribbenkast. Het was onmogelijk te weten of het brood nog aan de vork zat en in paniek keek ik naar mijn vader die me bemoedigend toeknikte. Ik slikte en haalde langzaam de vork boven de pan. Het bloed trok uit mijn wangen weg. Ik keek mijn vader aan en zag hem duister staren naar de lege tanden van de vork. Hij boog zich over de pan en staarde in de kaas en keek me vervolgens doordringend aan.  
‘Dat is erg, erg onbeleefd Johan. Vind jij de fondue niet lekker? Heb jij niet geleerd hoe te eten met bestek? Nou?’
Ik ontweek zijn blik en legde de vork precies zoals dat hoorde op het bord. Mijn hoofd gloeide alsof ik een tik op mijn wangen gekregen had. Ik durfde niet op te kijken van mijn bord. Door mijn oogharen zocht ik mijn moeder. Maar ze stond stram rechtop met haar handen op haar rug en keek me niet aan. Vader boog zich voorover over de tafel en drukte zijn grote vinger in het tafellinnen:

Het grootste gevaar doet zich voor aan tafel,
Waar menig mens zich ontpopt als een hork. 
Wij morsen niet, noch zullen wij ooit schrokken.
Maar bovenal, steeds eten wij met mes en met vork

Hij tikte met zijn vinger op het houten omslag van het boekje, dat naast zijn wijnglas lag. Tik. Tik. Tik.

Tot slot, volg ernstig op al mijn bevelen.
Gehoorzaamheid verdraagt geen grap.
Neem steeds een voorbeeld aan je ouders
En volg waar zij gaan, stap voor stap voor stap.
 

‘Misschien dat jij dan eerst maar eens moet leren eten zonder bestek? Nou? Zoals de apen dat doen in Afrika?’
Hij graaide mijn bestek van mijn bord. 
‘Nou kom, probeer het nu nog maar eens. ‘
‘Nu gelijk?’ fluisterde ik. 
Hij kikte en gebaarde uitnodigend naar de pan. Hij glimlachte zijn brede tanden bloot. 
‘Nu. ‘ zei hij beslist. ‘Kom, haal dat brood uit mijn kostelijke fondue voordat het de smaak bederft. Of wil je dat soms?’
Ik schudde mijn hoofd. Mijn moeder staarde strak naar de gesloten gordijnen. Trillend hield ik mijn hand  boven de pan en voelde de gloeiend hete damp van de kaas op mijn huid. Smekend keek ik mijn vader aan die zijn wenkbrauwen dwingend fronste. Dood en verderf loeren er op degene die zich er niet aan de paden houdt. Ik keek in de pan waarin grote bellen  verschenen en openknapten. Zou het helpen het langzaam te doen? Zouden je vingers kunnen wennen aan de hitte van de kokende kaas? Ik dacht terug aan vorig jaar toen ik mijn mond gebrand had aan de fondue en nog dagen later met mijn tong de blaren op mijn gehemelte kapot kon drukken. Een paar weken geleden had ik bij Ben een goochelaar op televisie gezien, die liep over vuur alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Kaas kon nooit zo heet zijn als vuur. Ik deed mijn ogen dicht en dacht aan de goochelaar. Een zwembad in de zomer, ijskoude cola in een beslagen glas.

Snel doopte ik mijn vingers in de kaas. Het voelde alsof ik mijn hand in een pan kokend water stak en ik voelde hoe tranen zich door mijn gesloten oogleden perste. Zo snel ik kon tastte ik rond in de dikke kaasbrij. Ik beet hard op mijn onderlip om niet te schreeuwen. Eerst was er geen pijn – alleen maar de hitte van de kaas die ik voelde tot in mijn ellebogen. Plotseling voelde ik een sponzig stuk tussen mijn vingers.  Ik greep het en haalde zo snel ik kon mijn vingers uit de pan. Toen kwam de pijn. Het leek of mijn handen in brand stonden. Ik wilde niets liever dan mijn vingers in mijn mond steken, maar ik balde een vuist en liet mijn adem tussen mijn tanden door ontsnappen. 
‘Warm’ piepte ik door mijn tranen heen. Ik blies op mijn vingers en keek naar mijn vuurrode vingers waarop witte blaren ontstonden. Mijn vingers lachten. 
‘Dat gaat al beter zo.’ mompelde mijn vader afwezig terwijl hij wat paddestoelen op zijn bord schepte. 
‘Heel netjes.’

Einde aflevering 1 van 2. Automatisch een bericht als deel 2 beschikbaar is? Schrijf je in op de nieuwsbrief of download het complete verhaal als PDF of EPUB

Categorieën
Serie: Aan tafel!

Honger.

Wat is thuis? Ik ben teveel een gewoontedier om die vraag te kunnen beantwoorden. Ik denk dat thuis voor mij iets anders is dan voor jullie. Thuis is voor mij geen gevoel, maar een plek waar je automatisch terugkomt. Er is geen reden om terug te komen, zelfs niet als we ’s nachts door de straten zwerven. Integendeel. Thuis is het oude blauwe dekbed op de betonnen vloer van de bijkeuken. Het is de tocht die ’s nachts door het luik komt. En thuis is Honger.

Download “Honger. Compleet verhaal” athame-honger-pdf.pdf – 15 keer gedownload – 410 KB

1. Plaats.

Uit de kamer klinkt het geluid van de televisie. Stemmen die ik niet versta, knallen en loeiende sirenes. De deur van de bijkeuken staat op een kier. Dan klinkt de deurbel en trekt iemand aan het touwtje in de brievenbus. De deur schiet open en een gedempte stem klinkt in de gang. Even later trekt de geur van warme pizza door de kamer. Ik knijp mijn ogen dicht en moeizaam slik ik het taaie slijm uit mijn keel. De geur is bijna tastbaar. Zo duidelijk, dat ik met mijn ogen dicht de afzonderlijke geuren kan zien… De donkergele geur van gesmolten kaas, het rood van pittige worst en paprika. Ik voel hoe Timo zich trillend tegen me aandrukt. Zijn magere borst gaat snel op en neer.
‘Pizza…’ piept hij zachtjes.
Ik knik. Zijn neusvleugels trillen als hij voorzichtig de deur open duwt. In de kamer kraakt de bank. Kreunend staat De Man op, hij moet zich vasthouden aan de rugleuning van de bank om overeind te komen. Zijn enorme kuiten en bovenbenen worden blauw verlicht door de beeldbuis. Het tapijt, of wat daar van over is, ligt bezaaid met afval, enveloppen en etensresten. Ik kijk toe hoe zijn voeten als blinde konijnen tussen de rotzooi naar de pantoffels tasten. De bank is een eiland in zee van afval. Chipszakken, flessen en pizzadozen omringen hem als de branding. Tot aan de plinten ligt het tapijt bezaaid met papier, snoepwikkels en vochtige vlekken. Traag baant De Man zich een weg naar de gang. Hij lijkt zo groot als het bankstel waarop hij zijn dagen doorbrengt. Nog even en hij is zo groot als de kamer. Elke keer verbaast het me dat hij nog op kan staan. Dat de botten in die bleke, vette kuiten zijn gewicht kunnen dragen. Als hij zich vloekend de gang in wringt, drukken zijn enorme dijen tegen de deurpost.
‘Twee keer quatro formagi, een pasta carbonara – extra large – en een Calzone met extra spek. Dat is dan tweeëntwintig half.’
Mopperend en grommend neemt De Man de bestelling in ontvangst.
‘Kijk eens… ‘ Kleingeld rinkelt. ‘…en een gratis familiebeker ijs omdat het dinsdag is. Tot morgen meneer Burger.’
De Man gromt en gooit de deur achter de jongen in het slot.

Zou je van geur kunnen leven? Als hij de kamer in waggelt, is de geur zo hevig en echt dat ik de pizza’s proeven kan. Ik voel hoe het water me in de mond loopt en in elkaar gedoken staren Timo en ik naar de witte dozen op de bank. Wat zou ik ervoor over hebben om mijn tanden in zo’n warme pizza te kunnen zetten? Wat zou ik ervoor over hebben en wat zou ik doen? Zou ik de saus eerst van de bodem likken, en hapje voor hapje genieten van de smaak? Of zou ik me laten wegzinken in de heerlijke warme geur en zonder te proeven de hele pizza opvreten, zodat ik nog uren kon genieten van de tevreden warmte in mijn buik? Kreunend laat ik me op het beton zakken. Ik bijt hard in het dekbed en probeer me met gesloten ogen voor te stellen dat het een pizza is. De Man heeft ons verboden in de kamer te komen. Onze plek is op de koude vloer van de bijkeuken. Dag en nacht. Geen uitzonderingen. Hij kan al lang niet meer zitten, dus vreet hij zijn pizza’s en hamburgers wijdbeens liggend op de bank. Zijn lichaam is een bleekblauw gebergte, gebeeldhouwd uit reuzel en huid. Een reusachtige, glanzende massa die verpakt is in een versleten kamerjas en die op zijn plek gehouden wordt door de leuningen van de bank. Als hij een stuk pizza naar zijn mond brengt, vallen de plooien van zijn armen over de leuning als een trage waterval. Hij vreet en groeit, zo brengt hij zijn dagen door. Drie, vier keer per dag staat hij op van de bank om eten te betalen. Verder beweegt hij niet, alleen om te eten en dreigend naar ons te slaan met de leren riem die hij altijd onder handbereik heeft liggen. Ik weet niet of hij ooit slaapt, dag en nacht ligt hij zuchtend op de bank. Hij kreunt en hijgt en vreet en groeit. Een onafgebroken stroom chips, hamburgers, bier en pizza verdwijnt in zijn mond. Hij is groter dan wie dan ook. Als hij staat, kijk je tegen de harige onderkant van zijn buik. Zijn hoofd is allang niet meer te zien door uitdijende vleesmassa. Hij groeit nog steeds, en ik weet niet of daar een einde aan komt. Wij eten niet en sinds een paar nachten kan ik niet meer slapen. Je zult je afvragen waar we op wachten of waarom we blijven. We blijven omdat het thuis is. Dat is alles.

Timo staart naar de dozen als een tijger naar zijn prooi. Langzaam, met zijn nekharen overeind kruipt hij in de richting van de bank.
‘Plaats!’ brult De Berg.
´Op de plaats smerige straathond!’
De Berg beweegt en de veren in de bank kraken alarmerend. Een leeg bierblik suist met akelige precisie in onze richting en knalt tegen de deurpost. Piepend van angst schiet Timo langs me heen de bijkeuken in. Ik posteer me grommend in de deur. Hoewel ik weet dat hij niet op zal staan, nauwelijks op kán staan.
‘Bek houe kolerebeest! Of moe-ik de riem effe pakke? Nou?’
Met volle kracht smijt hij een halfvol blik in mijn richting. In een reflex duik ik ineen, maar hij mist en raakt alleen de deur. Het bier spuit sissend tegen de deur en met mijn tanden bloot trek ik me terug. Trillend rolt Timo zich in het dekbed. Geruststellend bijt ik hem in zijn oor, daarna lik ik somber het bier van de vloer. Het smaakt net zo bitter als het ruikt. Later vanavond, als ik De Man hoor snurken, sluip ik voorzichtig naar de bank. Ik zal één van de dozen in mijn bek nemen en meenemen naar de bijkeuken. We zullen de korsten delen en met wat geluk plakt er nog wat kaas en aan de deksel.

2. Bal.

Honger lijkt nog het meest op kiespijn. In het begin merk je er nog nauwelijks iets van. In het begin stoort de zeurende pijn je een beetje, maar lange tijd denk je dat het wel zal wennen. Je stelt je niet aan en als je op een nacht wakker wordt van de pijn, draai je je om en denkt aan andere dingen om ze te vergeten. Dag na dag wint ze terrein tot de pijn je gedachten beheerst en langzaam maar zeker wordt ze een deel van je leven. Zoals vlooien horen bij je vacht. Begrijp me goed; net als iedereen ken ik het gevoel wakker te worden met een hol gevoel in mijn maag. Het slappe gevoel dat je bent gaan slapen zonder genoeg te hebben gegeten. Natuurlijk denk je dan aan voer, aan malse brokken in je bak. Maar als je dan gaat spelen, lukt het je toch om aan andere dingen te denken tot je je maag weer kunt vullen. Maar dat is geen Honger. Honger duurt langer. Honger begint met een lege maag en holt je van binnen uit. Vanuit je buik vreet ze zich een weg naar buiten, tot iedere vezel van je lijf pijn doet en schreeuwt om eten. Tot je ’s nachts de energie niet meer hebt om te dromen en elke gedachte onvermijdelijk naar eten leidt. Dat is het moment dat de lange, slapeloze nachten beginnen die ongemerkt overgaan in uitzichtloze dagen. De koortsige dromen terwijl je wakker bent. Dat is Honger.

Ik breng de dag door met denken. Ik probeer me de smaak van brokken te herinneren. Het geluid van de zachte brokken in de plastic bak waar Timo en ik samen uit aten. Ik herinner me de uitgelaten hond op de zak en de vrolijke rode letters. Dat was opgehouden nadat De Vrouw en Kleine Jongen weg zijn gegaan. De Honger is begonnen, denk ik, op het moment dat De Man begon met eten. Ik heb geen idee van tijd, dus vraag me niet hoelang wij op deze manier leven. Wel weet ik dat Honger langer duurt dan je je voor kunt stellen. Het punt is, je gaat niet dood van de Honger. Zo lijkt het wel, maar zo werkt het niet. Stukje bij beetje, ongemerkt word je zwakker en kleiner, net zo lang tot je hersenen gekrompen zijn tot één enkele koortsige gedachte. Honger is geen kwestie van niet eten. Honger is juist genoeg binnenkrijgen om te weten dat het onvoldoende is. Timo en ik eten precies genoeg om in leven te blijven en proeven net dat beetje, dat brandstof wordt voor een brandend verlangen naar meer… Naar meer. Vroeger dacht ik dat ik Honger kende, als Ze een dagje weg waren en pas laat weer thuis kwamen. Ik dacht dat Honger was, dat merkwaardige holle gevoel in je buik en in je flanken. Maar dat is geen Honger. Het komt niet eens in de buurt van Honger.

Soms zak ik weg in een droom, zonder te slapen. Opeens weet ik dan alles weer. De zon op mijn vacht, het rennen achter een bal aan in het park. Ik was jong toen, en Timo nog een onhandige pup. Het licht op het droge, gele gras en de fel gekleurde kinderkleren. Een hoge stem die ‘Apport’ roept. De bal vliegt hoger dan de wolken en verdwijnt in de zon. De bal. Een grijs stipje in de lucht. In mijn droom rennen we dicht naast elkaar, grommend en bijtend naar elkaars’ staart tot we door het stof heen rollen. Timo en ik, de bal op het gras.
‘Bal!’ roept De Kleine Jongen. ‘Pak bal!’
De vreemde smaak van het rubber in je bek. Bijten. Timo hield zijn kop scheef en probeerde de glibberige bal tussen zijn kiezen te nemen. Zijn bek was nog te klein om de bal weer terug te kunnen brengen. Steeds als hij hem te pakken had schoot hij weer weg en rolden en tolden we in de zon tot ik hem tussen mijn tanden had.
‘Hier! Plaats! Apport!’
Tot ik de bal terugbracht. De Vrouw was er toen nog en de Kleine Jongen. De Man was groot en wild en lachte hard als hij probeerde de bal uit mijn bek te trekken. Ik zette mijn poten schrap en schudde grommend mijn kop. Woest. Een beest. Ik gromde en liet mijn tanden zien. Je mag de hand niet bijten die je eten geeft, maar van bijten in de bal moest hij lachen. Hij was het baasje en ik beet. Hij gromde terug en trok.
‘Wolf – laat los!’ juichte De Kleine Jongen. Hij had zijn armen om Timo heen geslagen. Maar ik liet niet los. De Man trok en ik liet hem trekken en ik voelde de heerlijke druk tot in de wortels van mijn hoektanden. Bijten. Dieper en wilder. Het fantastische gevoel dat misschien nog het meest lijkt op krabben aan een korstje dat jeukt. Ik beet tot mijn kaken kraakten en deed mijn ogen dicht. De Man trok en rukte aan de bal tot het leek dat mijn tanden het zouden begeven. Dan draaiden we rond. Soms tilde Hij me lachend aan mijn tanden op en draaide me in een grote cirkel om hem heen. Mijn poten ver boven de grond. Tot in de wolken. Bal. Bijten. Bijten. Als ik losliet rolde ik duizelig door het gras.

Toen ik wakker werd, was het ijskoud in de bijkeuken. Terwijl ik me dichter tegen Timo aankrulde voelde ik de droom nog in mijn kaken als een levende herinnering. Maar waar we nu wonen, is geen park om met de bal te spelen denk ik. Ik weet het niet zeker. De enige keren dat we buiten komen is als we ons door het luik in de bijkeuken wringen. De tuin is een woestijn van tegels en roestende apparaten. De schutting is een paar weken geleden omgewaaid zodat we nu af en toe eten kunnen zoeken in de doolhof van steegjes en gangetjes achter het huis. Er zijn er ’s nachts meer zoals wij. Veel meer dan je denken zou. Haveloze, magere honden waar niemand meer voor zorgt. Honden met een vale vacht, waarvan je de ribben kunt tellen. Honden met een huis maar zonder eten. Het is moeilijk om aan voer te komen. Je kunt de vuilnisbakken niet omtrekken en je mag van geluk spreken als iemand een bakje kattenvoer buiten zet om zijn poes naar huis te lokken. Maar dat is kattenvoer.

De vrouw is weg, net als de Kleine Jongen. De Man is groter geworden en gevaarlijk. Onze etensbak ligt ergens glimmend schoongelikt in de hoek van de bijkeuken. Maar Timo en ik zijn erg op elkaar gesteld en vanuit de bijkeuken kunnen we het televisiescherm zien. Ik weet trouwens niet zeker of Timo daar erg aan hecht. Soms spitst hij zijn oren als er een hond op televisie is en heel af en toe kwispelt hij als hij een Kleine Jongen ziet. Misschien dat hij dan aan vroeger denkt, maar zeker weten doe ik dat niet. Gisteren, toen het buiten al heel lang donker was en De Berg rochelend lag te dromen, waren er grote honden op televisie. Een roedel grote, grijze honden die in een eindeloos park speelden waar het gesneeuwd had. De grote honden hadden geen bal en er waren geen Mensen om takken naar terug te brengen. Ze speelden een wild spel met een hert voor hen uitrende in de diepe sneeuw. Het hert had hoge poten, maar de grijze honden waren met meer. Ze joegen het hert op, hun lange tong uit hun bek. De honden hadden grote, witte tanden en gele ogen die in het donker op lampjes leken. Ze renden, met taaie spieren onder een dikke grijze vacht. Timo sliep onrustig, dicht tegen me aan en even stelde ik me voor hoe het zou zijn om weer met hem door het park te rennen. Steeds sneller, tot je longen pijn doen in de koude lucht. Sneller, wilder. De grote honden renden alsof hun leven er vanaf hing. Eerst over een grote witte vlakte, dan door een donker bos. Het was een spannend spel en steeds als ik dacht dat ze het hert te pakken hadden, maakte dat een vreemde bocht of een grote sprong zodat het buiten hun bereik bleef. De grootste hond rende steeds vlak naast het hert, zijn kop scheef. Hij beet naar de poten, maar telkens zonder ze te raken. De anderen kwamen steeds dichterbij. Plotseling sprong er één op de rug van hert. Het hert struikelde en de grootste hond zag zijn kans schoon en sprong naar zijn nek en beet zich vast in de dikke vacht. Bal. Bijten. Vasthouden. Even rende het hert nog door, met de woeste hond aan zijn nek. Het moest net zo voelen als een bal. Je kon zijn tanden zien, de kracht van zijn grote kaken. Ik kwijlde. De hond liet los en liet zich grommend voor het hert in de sneeuw zakken. De anderen lagen hijgend in de diepe sneeuw, hun tong uit de bek. Stoomwolkjes stegen op. Het hert stond stil. Langzaam kropen ze door de diepe sneeuw op hem af. Zenuwachtig spitste het hert zijn oren en keek angstig om zich heen. Maar de grote hond voor hem gromde en liet zijn tanden zien. Hij blafte kort en tegelijkertijd sprongen de anderen op het hert. Onwillekeurig beet ik in de stof van het dekbed. Vast. Toen zakte het hert door zijn poten. Terwijl de honden zich grommend tegoed deden, kleurde de sneeuw rood van zijn bloed.

3. Neer

Nooit bijt je in de hand die je voert. Dat is het belangrijkste om te begrijpen. Je gehoorzaamt je baasje, wat er ook gebeurt. Maar vandaag is het de vierde dag zonder ook maar iets gegeten te hebben. Timo is onrustig en hij ziet er steeds slechter uit. De Honger zit in iedere vezel van mijn lijf. Honger. Ik lig hijgend op het koude beton van de vloer. Honger vreet je weg. Letterlijk. En ik voel hoe het op mij kauwt en bijt en knaagt. Ik probeer mezelf comfortabel op te rollen, mijn neus in het warme plekje bij mijn achterpoten, maar na een seconde rol ik om en lig ik met bek op mijn voorpoten. Ik vraag me af hoe hert smaakt en ik merk dat ik kwijl. Ik zou alles kunnen eten nu, maar ik weet niet of ik de kracht zou hebben om te jagen. Timo jankt zachtjes. Zijn flanken gaan snel op en neer. De Man in de kamer hijgt en zucht en snurkt. Even doe ik mijn kop door de deur, maar De Berg beweegt en gromt. Ik schud mijn kop en ga liggen. Timo kijkt gehypnotiseerd naar het gele doosje bij de man zijn voet. Zijn neusgaten staan wijd open. Ik ruik wat hij ruikt. Natuurlijk ruik ik wat hij ruikt. Ik ben ouder maar niet doof. De Honger scherpt je zintuigen en breekt je af tot je bij je basis bent. Ik ben alleen nog maar een neus en een lege maag. Natuurlijk ruik ik de halve hamburger die nog in het doosje zit. Ik ruik hoe het rundvlees afkoelt, ik ruik hoe de zoete saus stolt en het broodje doorweekt. Ik ruik zelfs de schijfjes augurk en de fritessaus die kleeft aan het felgele piepschuim doosje. Natuurlijk ruik ik dat en Timo ruikt het ook. Hij heeft zijn kop laag, zijn tong bijna op de grond. Zijn neusgaten staan wijd open en doelbewust duwt hij me aan de kant. Hij is groter dan ik, valt me plotseling op. Hij zou zijn kop op de mijne kunnen leggen als hij zou willen. Ik probeer me hem voor te stellen als hij goed doorvoed zou zijn. Een forse hond met een smalle achterhand om snelheid te maken maar voldoende borst en schouders om zijn mannetje te staan. Nu duwt hij me aan de kant en beantwoordt mijn waarschuwing met een snauw. Eindeloos langzaam sluipt hij de kamer in. De vloer is rood verlicht en op televisie kreunen en hijgen mensen als spelende honden. Timo sluipt langs de muur, steeds voorzichtig over de pizzadozen heenstappend. Ik zie zijn ogen heen en weer flitsen van De Man naar het gele doosje bij zijn voet. Timo ligt achter de bank, waar De Man hem niet kan zien. Als je niet anders wist, lijkt het of hij naar de televisie kijkt. Hij ligt heel stil, tussen het afval dat De Man van zich af gegooid heeft. Centimeter voor centimeter kruipt Timo in de richting van de bank. Voorzichtig schuift hij zijn hele lijf steeds een klein stukje naar voren. Zijn oren in zijn nek, zijn bek halfopen. Plotseling beweegt De Man. De hele vleesberg komt in beweging en vanachter de deur van de bijkeuken probeer ik geluidloos Timo te waarschuwen. Hij knijpt zijn ogen samen en kijkt me een seconde aan. De Berg hijgt en kreunt. Hij roept iets wat ik niet versta. Even lijkt het of hij zich om wil draaien, maar ik begrijp Timo’s blik. Ik slik een keer en loop openlijk de kamer in, recht op hem af. Even moet ik denken aan het spel van de grijze honden op televisie. Ik denk dat ik zelfs grom, alleen om hem even af te leiden. Het werkt.

‘Wakrijgewenou? Gloeiende…’
De vleesberg komt in beweging en grijpt naast zich in de stapel vuil. Vanuit mijn ooghoeken kijk ik naar Timo die zijn spieren spant en zich zo plat maakt als hij kan. Nu grom ik, mijn tandvlees bloot. De nekharen in mijn nek staan overeind en ik zie hoe Timo tien centimeter in de richting van het doosje schuift. Dit doen we samen. Zoals we alles samen doen. Straks delen we samen de resten van de hamburger. Maar voor ik de gedachte af kan maken brulde De Berg die ooit ons baasje was. Maar De Man is onze baas niet meer. Honger is onze baas.
‘Wamoe je dan? Hé, wamoe je dan?’ Hij vindt de riem tussen de dozen en ik zie hem het uiteinde van de riem om zijn hand slaan. Het eind met de gesp dreigend slepend door het vuil.
‘Nou klerehond, moeje een pak op je falie?’
Timo piept, bijna onhoorbaar zacht, zijn ogen nu op mij gericht. Maar ik weet hoe ver ik kan gaan. Zo langzamerhand weet ik wel hoe lang de riem is en langzaam loop ik in een ruime boog om de bank. Weg van de deur van de bijkeuken en weg van Timo die op zijn buik rechts naast de bank ligt. Grommend, maar steeds buiten bereik van de riem.
‘Hebbet lef…’ dreigt De Man. Zijn enorme lijf trilt van woede en de gesp trekt trage cirkels naast zijn voet. ‘Hebbet leffes om in de buurt te komme…’ Langzaam komt hij overeind en doet een stap in mijn richting. Ik laat me op mijn buik zakken, mijn oren ver in mijn nek. Ik blaf en zie hoe Timo steeds dichter en dichter naar het doosje schuift. Als hij staat, lijkt De Man tot het plafond te reiken. Zijn benen zijn zo dik als een vuilnisvat en zijn buik lijkt de halve kamer te vullen. Hij is dichtbij nu, hij ruikt naar zweet, naar woede en naar eten. De Man draait zich om en ik kan niet anders dan een stap vooruit doen. Mijn tanden bloot. Binnen het bereik van de riem. Ik grom en zie in een flits de koperen gesp op mij afkomen. Het metaal fluit door lucht en knalt naast me op de vochtige vloerbedekking.
‘Neerrrrr jij….’ Brult De Man terwijl hij de riem naar zich toetrekt. Grommend kruip ik ineen en schuifel achteruit. Al mijn spieren gespannen. Weer knalt de gesp vlak voor mijn neus op de grond.
‘Neerrr! Geen gerotzooi met me eten, je zorgt zelf…’
En op hetzelfde moment springt Timo vooruit en pakt het hamburgerdoosje in zijn bek. Hij laat het vallen en probeert het gladde doosje weer in zijn bek te nemen.
Ik blaf hard. Misschien om De Man af te leiden of om Timo te waarschuwen. Maar ik ben te laat. Zijn been schiet verrassend snel omhoog en met een dreun plant hij zijn dikke voet in de nek van Timo.. De Man bukt voorover, pakt Timo hard in nekvel en drukt zijn kop tegen de grond.
‘Néér jij!’
Timo’s kop verdween tussen de dozen en de zakken. Hij kermt van de pijn. Mijn vacht lijkt elektrisch geladen en mijn bloed jaagt door mijn aderen. Ik blaf, De Man slaat de riem dubbel, en houdt met zijn andere hand Timo´s kop tegen de grond. Een moment lang kijkt De Man mij aan met een blik die ik niet snel vergeten zal. Het piepschuim van het hamburgerdoosje knarst in Timo’s bek.
‘Neer! Vulle straathond, zoek je eige vrete maar. Neer!!! Of zal ik je eens…’ De riem schiet fluitend door de lucht en kletst hard op Timo’s zij.

Maar toen sprong ik al. Toen beet ik al. Ik bijt met alle kracht die ik in mijn kaken heb. Met alle kracht van het slapen op beton. Met alle kracht van het bijten op het dekbed. En ik bijt door alsof het het rubber van de bal is. Hij smaakt naar metaal en ik probeer de geur te negeren. Ik bijt omdat De kleine Jongen weg is die elke ochtend de voerbak vulde. Ik bijt totdat ik bloed proef. Hij brult en slaat op mijn neus en ogen. Vast.
´Loslaten Wolf!´ hoor ik van heel ver De Kleine Jongen roepen. Maar ik houd vast tot De Berg zich opricht, met mijn kaken op slot in zijn nek. Hij slaat, maar het lijkt of alles langzaam gaat en ik heb tijd genoeg om aan de bal te denken, hoe lang het geleden is dat ik aan mijn tanden heb gehangen. Hoe lang het geleden is dat ik gegeten heb. Met mijn ogen dichgeknepen, tol ik door de lucht met mijn poten van de grond. Ik heb de bal en druk mijn tanden dieper in het rubber. Ik houd me vast met alle kracht die Honger in zich heeft. Al draai ik honderd rondjes om hem heen, ik houd vast. In die vreemde draaimolen zie ik Timo wegspringen. Ik raak de deurpost met een knal maar loslaten kan niet meer. Ik grom, met al mijn tanden bloot en ik heb de bal. Dan zie ik Timo hoog opspringen, De Berg wankelt en stopt met draaien. Verbazingwekkend langzaam komt plotseling de grond dichterbij, De Berg valt zoals een boom valt. De dreun is enorm en dozen vliegen door de kamer. Timo laat los om niet onder de vleesberg te komen, maar aarzelt geen moment als hij De Man ziet liggen. Ik ben duizelig, maar kan nog steeds niet loslaten. De Man kermt en slaat wanhopig van zich af. Hij piept als zo’n rubberen kip. Maar wij zijn met meer en ik laat niet los. De man ligt midden in de kamer op zijn rug als een reusachtige aangespoelde walvis, niet in staat zich te bewegen. Timo loopt in cirkels om hem heen en kijkt me aan. Hij kwijlt.

Ik heb de muur harder geraakt dan ik dacht. In elk geval doet lopen pijn en sleep ik met mijn achterpoot. Maar voor het eerst sinds De Kleine Jongen weg is, liggen we tevreden naast elkaar bij de verwarming. Voldaan, onze koppen dicht bij elkaar op een kussen. Sinds het donker is, wordt het kermen zachter als we eten. Ik denk niet dat hij er veel van merkt. Ik lik Timo achter zijn oor waar hij dat het prettigst vindt. Misschien kunnen we morgen wat anderen uit de buurt uitnodigen. Er is genoeg voor iedereen.