Categorieën
Kort culinair literaire fictie

Vergeten groente

Dit verhaal vertelt over de betekenis van eten in de laatste fase van een mensenleven. Het gaat over het grote vergeten van Alzheimer patienten maar ook over de liefde van familie en vrijwilligers in hospices.

Het bed op klossen met de kuil in zijn kussen. Het stof op de kast. Op het dressoir: droogbloemen en natuurlijk haar portret. Dan nog dichterbij, de vloerbedekking bij de stoel waar hij het liefste zat. Tot op de draad versleten omdat hij zijn rechtervoet door Parkinson niet meer stil kan houden. En in de keuken, kleurrijke rietjes in een mok met een portret van prinses Beatrix. Groene limonade wacht ongeopend op kleinkinderen die al jaren studeren. En natuurlijk goudgerand servies en stápels blauwe pannen. Aan een plank hangt de menukaart van ‘Zorgeloos’, de thuiszorg. ‘Smakeloos,’ hoor ik mijn opa in gedachten mopperen ‘En nóóit eens iets lekkers.’ Bijna beschuldigend boven het menu, de kookboeken en schriften uit de tijd dat mijn oma kookles gaf op de huishoudschool. Smaak verdwijnt zoals kleur vervaagt. De kaften hebben dezelfde kleur als de peterselie en dille die als stof aan het glas van de kruidenpotjes kleven. Zeven jaar zijn ze niet gebruikt, omdat mijn opa nooit zelf leerde koken. Onaangeroerd, als museumstukken.

Soep van de dag

Mijn opa’s hoofd is als zijn keuken, een leven verzameld in kasten en laden. Alles had zijn eigen plek en een eigen verhaal. Alles stond stil, tot iemand het huis begon leeg te halen en dingen verschoven, spullen verdwenen in zakken en dozen. Tot hij niet meer thuis was in het museum waar hij woonde. Tot een week geleden woonde hij in huis met zes anderen en een slot op de deur. De code was de datum van de dag. Dat was genoeg, want voor de bewoners was vandaag al lang geleden verdwenen.

Zo ging dat, mijn opa zat tussen zijn zes lotgenoten aan tafel en keek me aan. ‘Zeg, wat is de bedoeling?’ Ik legde hem uit dat we samen koken. Gerechtjes om weer iets te kunnen zien, ruiken en proeven van het verleden waarvan de snippers aan hun versleten handen kleven. ‘We maken hete bliksem, met twee soorten appels…’ Ik wees naar de stapel op tafel. Hij probeerde met zijn trillende vingers het schilmesje te pakken. Toen fronste hij kwaad en duwde het mesje van zich af. ‘Jij loopt hier zeker stage! We eten toch niet alleen appels?’ Ik schudde mijn hoofd. Een oude dame die kleuterjuf was, lachte haar gouden gebit bloot. ‘Jij bent zelf ook wel een hete bliksem hoor!’ Haar buurvrouw schudde haar hoofd terwijl ze razendsnel appels schilde. ‘Let maar niet op haar hoor’ Ze boog zich voorover en fluisterde: ‘Dement snap je, knettergek!’. We schilden de appels, het zoet en het zuur. We schilden terwijl de bewoners hun herinneringen oppoetsen tot ze zo flinterdun versleten waren als het mesje van mijn oma dat werkeloos voor mijn opa lag. Bernlef beschreef het van binnenuit in Hersenschimmen, talloze artikelen verschenen over Alzheimer. Bij dementie begint het afscheid vaak ver voor het overlijden. Ik had balkenbrij gemaakt die week omdat ik weet dat hij dat vroeger graag at. En toen ik de plakken in de reuzel liet glijden, stond hij naast me. ‘Weet je dat nog, dat oma vroeger balkenbrij maakte?’ vroeg ik en ik vertelde hoe ze in de keuken stond. Zwetend, met een rood hoofd, roerend in een enorme geëmailleerde pan. ‘Weet je dat nog, opa?’ Hij boog zich over de pan en snoof de geur op. Vet, meel, spek en orgaanvlees. Hij keek me aan en schudde teleurgesteld zijn hoofd. ‘Dat ben ik vergeten…’

De kringloop

De papieren heeft hij jaren geleden al geregeld, die liggen bij zijn advocaat. Ze beschrijven tot in detail wat hij wil met zijn spaargeld, maar ook met zijn leven. Maar op het leeghalen van zijn huis ben ik niet voorbereid. Ik merk dat ik meer lawaai maak dan noodzakelijk, als ik de pannen in een doos sorteer. Kringloop, staat erop in beschuldigende kapitalen. Iedere voorraadbus, ieder theelepeltje vertelt flarden van een verhaal waarvan ik de meeste niet kan verstaan in de verstikkende stilte van het huis. Ik open de klemmende laden, voor het eerst in jaren soms, en sorteer de sporen die ik vind in vingerhoedjes, naald en draad. Gestreken theedoeken, een lepeltje Buisman voor in de koffie. Het is een zorgvuldig geconserveerd sediment van een leven, waaruit de ziel verdwenen lijkt. Een recept voor zoetwatervis in schoonschrift valt uit elkaar als ik het probeer te lezen. Uren zit ik aan de keukentafel en blader door de schriftjes. Zuring met krenten, schorseneren met dubbel ‘e’. Het zijn gerechten die zoals ik die in de afgelopen weken maakte voor hem. De groenten die hij vergat. Ik stoofde zijn spruitjes drie kwartier, in de hoop dat hij in zijn geheugen mijn oma weer zou ontmoeten. Ik kookte asperges met boter en noemde het slier. Omdat herinneringen zo vaak zijn gekoppeld aan geur of aan smaak. Wat kon ik meer doen dan koken, als mijn opa’s herinneringen niet meer zijn dan toevallige ontmoetingen in een verwarrend labyrint.  Zelfs als de kasten van je leven overhoop zijn gehaald, zelfs als je lichaam versleten is en het eigenlijk niet meer hoeft, blijft eten van levensbelang. Voedingsstoffen veranderen in veiligheid, smaak in samen-zijn. De gerechten van vroeger voeden nog steeds, maar al lang niet meer de maag.

Amuse

Sinds iets meer dan een week woont hij niet meer in de woongroep. Ik kook niet meer voor hem sindsdien, in het hospice wordt gekookt door vrijwilligers, een kookclub zoals ze het zelf noemen. Bijna iedere vrijwilliger heeft een eigen specialiteit. De menukaart is een prachtige plattegrond van de samenleving: van stamppot tot Indonesische gerechten. Kibbeling komt bij de visboer vandaan, de rest wordt zelf gemaakt. Stoofperen en soep worden het meest gegeten, dat soort dingen. Teder kijk ik naar die oude man die op het terras in de zon een lepel soep eet. Het duurt uren. ‘Lekker?’ vraag ik zacht en met een brok in mijn keel. Even verwacht ik dat hij zal vragen of ik hier stage loop. Maar dan kijkt hij me zwijgend aan en steekt zijn duim op. Hij zegt bijna niets meer, mijn opa, en hij eet nog minder. ‘Dat is normaal in het hospice’ legt een van de vrijwilligers uit. Patiënten in de laatste dagen van hun leven eten nog maar mondjesmaat. En dat is precies hoe hier wordt gekookt. Een paar lepels soep in een mooi koffiekopje, een gehaktbal ter grootte van een pingpongbal. Aan de opmaak van het gerecht wordt evenveel aandacht besteed als aan de smaak. Liefde gaat hier lang niet altijd door de maag. Soms gaat eten via een sonde en is de maaltijd alleen nog maar een lust voor het oog. Zoals de toetjes die niet groter zijn dan een amuse. Hier, in het hospice, gaat het zelfs niet meer over smaak.

Dessert

De vrijwilligers hebben meer aandacht voor hun gasten dan een sterrenrestaurant. ‘Je opa heeft geen honger meer. Hij hoeft niets meer, denk ik,’ zegt een dame die het dienblad van de tafel pakt. Even legt ze haar hand op zijn schouder. ‘Het hoeft niet op. Voor sommigen is het genoeg om er alleen maar naar te kijken. Wij zijn geen koks zoals jij, onze keuken is alleen gericht op kwaliteit van leven,’ lacht ze. Het borrelglas wijn blijft onaangeroerd op tafel staan en ik houd de doos sigaren in mijn binnenzak. Het hoeft niet meer. Als laatste zonnestralen na een lange dag, zo kijkt hij me nog heel even aan en valt dan in slaap. Hij wordt niet wakker als ik hem in bed leg. En als ik naar huis rijd, zie ik in mijn binnenspiegel de dozen met pannen. Het woord kringloop heb ik doorgestreept. Ik neem ze mee naar huis, mijn oma’s recepten. Ik houd ze bij me, heb ik besloten. Nog een paar jaar, terwijl ik langzaam afscheid neem.

Thuis blader ik door het gemarmerde boekje van mijn oma. Ik denk dat ze het gebruikte toen ze kookles gaf op de huishoudschool. De bladzijden zijn gevlekt als mijn opa’s handen. Het papier voelt aan als zijn droge huid. Vanmiddag heb ik gepraat met de huisarts, over het recept voor afscheid. Dat had hij zo gewild. Gezien zijn toestand lijkt een injectie overbodig. Secobarbital in een lage dosering volstaat en kan bovendien ‘oraal worden ingenomen’. Dat is de taal van medici. Maar ik ben geen medicus. Ik ben kok en bovenal kleinzoon.  Hij kan het eten en ik kan het koken in een blauw-geëmailleerde pan, dat is wat ze bedoelen, denk ik. En ik weet al wat ik ga maken maar ik wil precies weten hoe zij het deed. Moeilijk is het niet, al heb ik geen paardenharen zeef. Ik schil de appels zorgvuldig, met het mesje van mijn oma. ‘Hoewel dat schillen minder voedzaam is, en de hoeveelheid kleiner’ volgens mijn oma’s recept. Vandaag kook ik voor mijn opa. Voor het laatst. Want morgen komt zijn huisarts voor het laatste dessert dat hij jaren geleden al bestelde. Appelmoes.

Dit verhaal is eerder verschenen in 
Bouillon! Het gastronomisch magazine in boekvorm. 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *