Categorieën
Serie: Aan tafel!

Honger.

Wat is thuis? Ik ben teveel een gewoontedier om die vraag te kunnen beantwoorden. Ik denk dat thuis voor mij iets anders is dan voor jullie. Thuis is voor mij geen gevoel, maar een plek waar je automatisch terugkomt. Er is geen reden om terug te komen, zelfs niet als we ’s nachts door de straten zwerven. Integendeel. Thuis is het oude blauwe dekbed op de betonnen vloer van de bijkeuken. Het is de tocht die ’s nachts door het luik komt. En thuis is Honger.

Download “Honger. Compleet verhaal” athame-honger-pdf.pdf – 22 keer gedownload – 410 KB

1. Plaats.

Uit de kamer klinkt het geluid van de televisie. Stemmen die ik niet versta, knallen en loeiende sirenes. De deur van de bijkeuken staat op een kier. Dan klinkt de deurbel en trekt iemand aan het touwtje in de brievenbus. De deur schiet open en een gedempte stem klinkt in de gang. Even later trekt de geur van warme pizza door de kamer. Ik knijp mijn ogen dicht en moeizaam slik ik het taaie slijm uit mijn keel. De geur is bijna tastbaar. Zo duidelijk, dat ik met mijn ogen dicht de afzonderlijke geuren kan zien… De donkergele geur van gesmolten kaas, het rood van pittige worst en paprika. Ik voel hoe Timo zich trillend tegen me aandrukt. Zijn magere borst gaat snel op en neer.
‘Pizza…’ piept hij zachtjes.
Ik knik. Zijn neusvleugels trillen als hij voorzichtig de deur open duwt. In de kamer kraakt de bank. Kreunend staat De Man op, hij moet zich vasthouden aan de rugleuning van de bank om overeind te komen. Zijn enorme kuiten en bovenbenen worden blauw verlicht door de beeldbuis. Het tapijt, of wat daar van over is, ligt bezaaid met afval, enveloppen en etensresten. Ik kijk toe hoe zijn voeten als blinde konijnen tussen de rotzooi naar de pantoffels tasten. De bank is een eiland in zee van afval. Chipszakken, flessen en pizzadozen omringen hem als de branding. Tot aan de plinten ligt het tapijt bezaaid met papier, snoepwikkels en vochtige vlekken. Traag baant De Man zich een weg naar de gang. Hij lijkt zo groot als het bankstel waarop hij zijn dagen doorbrengt. Nog even en hij is zo groot als de kamer. Elke keer verbaast het me dat hij nog op kan staan. Dat de botten in die bleke, vette kuiten zijn gewicht kunnen dragen. Als hij zich vloekend de gang in wringt, drukken zijn enorme dijen tegen de deurpost.
‘Twee keer quatro formagi, een pasta carbonara – extra large – en een Calzone met extra spek. Dat is dan tweeëntwintig half.’
Mopperend en grommend neemt De Man de bestelling in ontvangst.
‘Kijk eens… ‘ Kleingeld rinkelt. ‘…en een gratis familiebeker ijs omdat het dinsdag is. Tot morgen meneer Burger.’
De Man gromt en gooit de deur achter de jongen in het slot.

Zou je van geur kunnen leven? Als hij de kamer in waggelt, is de geur zo hevig en echt dat ik de pizza’s proeven kan. Ik voel hoe het water me in de mond loopt en in elkaar gedoken staren Timo en ik naar de witte dozen op de bank. Wat zou ik ervoor over hebben om mijn tanden in zo’n warme pizza te kunnen zetten? Wat zou ik ervoor over hebben en wat zou ik doen? Zou ik de saus eerst van de bodem likken, en hapje voor hapje genieten van de smaak? Of zou ik me laten wegzinken in de heerlijke warme geur en zonder te proeven de hele pizza opvreten, zodat ik nog uren kon genieten van de tevreden warmte in mijn buik? Kreunend laat ik me op het beton zakken. Ik bijt hard in het dekbed en probeer me met gesloten ogen voor te stellen dat het een pizza is. De Man heeft ons verboden in de kamer te komen. Onze plek is op de koude vloer van de bijkeuken. Dag en nacht. Geen uitzonderingen. Hij kan al lang niet meer zitten, dus vreet hij zijn pizza’s en hamburgers wijdbeens liggend op de bank. Zijn lichaam is een bleekblauw gebergte, gebeeldhouwd uit reuzel en huid. Een reusachtige, glanzende massa die verpakt is in een versleten kamerjas en die op zijn plek gehouden wordt door de leuningen van de bank. Als hij een stuk pizza naar zijn mond brengt, vallen de plooien van zijn armen over de leuning als een trage waterval. Hij vreet en groeit, zo brengt hij zijn dagen door. Drie, vier keer per dag staat hij op van de bank om eten te betalen. Verder beweegt hij niet, alleen om te eten en dreigend naar ons te slaan met de leren riem die hij altijd onder handbereik heeft liggen. Ik weet niet of hij ooit slaapt, dag en nacht ligt hij zuchtend op de bank. Hij kreunt en hijgt en vreet en groeit. Een onafgebroken stroom chips, hamburgers, bier en pizza verdwijnt in zijn mond. Hij is groter dan wie dan ook. Als hij staat, kijk je tegen de harige onderkant van zijn buik. Zijn hoofd is allang niet meer te zien door uitdijende vleesmassa. Hij groeit nog steeds, en ik weet niet of daar een einde aan komt. Wij eten niet en sinds een paar nachten kan ik niet meer slapen. Je zult je afvragen waar we op wachten of waarom we blijven. We blijven omdat het thuis is. Dat is alles.

Timo staart naar de dozen als een tijger naar zijn prooi. Langzaam, met zijn nekharen overeind kruipt hij in de richting van de bank.
‘Plaats!’ brult De Berg.
´Op de plaats smerige straathond!’
De Berg beweegt en de veren in de bank kraken alarmerend. Een leeg bierblik suist met akelige precisie in onze richting en knalt tegen de deurpost. Piepend van angst schiet Timo langs me heen de bijkeuken in. Ik posteer me grommend in de deur. Hoewel ik weet dat hij niet op zal staan, nauwelijks op kán staan.
‘Bek houe kolerebeest! Of moe-ik de riem effe pakke? Nou?’
Met volle kracht smijt hij een halfvol blik in mijn richting. In een reflex duik ik ineen, maar hij mist en raakt alleen de deur. Het bier spuit sissend tegen de deur en met mijn tanden bloot trek ik me terug. Trillend rolt Timo zich in het dekbed. Geruststellend bijt ik hem in zijn oor, daarna lik ik somber het bier van de vloer. Het smaakt net zo bitter als het ruikt. Later vanavond, als ik De Man hoor snurken, sluip ik voorzichtig naar de bank. Ik zal één van de dozen in mijn bek nemen en meenemen naar de bijkeuken. We zullen de korsten delen en met wat geluk plakt er nog wat kaas en aan de deksel.

2. Bal.

Honger lijkt nog het meest op kiespijn. In het begin merk je er nog nauwelijks iets van. In het begin stoort de zeurende pijn je een beetje, maar lange tijd denk je dat het wel zal wennen. Je stelt je niet aan en als je op een nacht wakker wordt van de pijn, draai je je om en denkt aan andere dingen om ze te vergeten. Dag na dag wint ze terrein tot de pijn je gedachten beheerst en langzaam maar zeker wordt ze een deel van je leven. Zoals vlooien horen bij je vacht. Begrijp me goed; net als iedereen ken ik het gevoel wakker te worden met een hol gevoel in mijn maag. Het slappe gevoel dat je bent gaan slapen zonder genoeg te hebben gegeten. Natuurlijk denk je dan aan voer, aan malse brokken in je bak. Maar als je dan gaat spelen, lukt het je toch om aan andere dingen te denken tot je je maag weer kunt vullen. Maar dat is geen Honger. Honger duurt langer. Honger begint met een lege maag en holt je van binnen uit. Vanuit je buik vreet ze zich een weg naar buiten, tot iedere vezel van je lijf pijn doet en schreeuwt om eten. Tot je ’s nachts de energie niet meer hebt om te dromen en elke gedachte onvermijdelijk naar eten leidt. Dat is het moment dat de lange, slapeloze nachten beginnen die ongemerkt overgaan in uitzichtloze dagen. De koortsige dromen terwijl je wakker bent. Dat is Honger.

Ik breng de dag door met denken. Ik probeer me de smaak van brokken te herinneren. Het geluid van de zachte brokken in de plastic bak waar Timo en ik samen uit aten. Ik herinner me de uitgelaten hond op de zak en de vrolijke rode letters. Dat was opgehouden nadat De Vrouw en Kleine Jongen weg zijn gegaan. De Honger is begonnen, denk ik, op het moment dat De Man begon met eten. Ik heb geen idee van tijd, dus vraag me niet hoelang wij op deze manier leven. Wel weet ik dat Honger langer duurt dan je je voor kunt stellen. Het punt is, je gaat niet dood van de Honger. Zo lijkt het wel, maar zo werkt het niet. Stukje bij beetje, ongemerkt word je zwakker en kleiner, net zo lang tot je hersenen gekrompen zijn tot één enkele koortsige gedachte. Honger is geen kwestie van niet eten. Honger is juist genoeg binnenkrijgen om te weten dat het onvoldoende is. Timo en ik eten precies genoeg om in leven te blijven en proeven net dat beetje, dat brandstof wordt voor een brandend verlangen naar meer… Naar meer. Vroeger dacht ik dat ik Honger kende, als Ze een dagje weg waren en pas laat weer thuis kwamen. Ik dacht dat Honger was, dat merkwaardige holle gevoel in je buik en in je flanken. Maar dat is geen Honger. Het komt niet eens in de buurt van Honger.

Soms zak ik weg in een droom, zonder te slapen. Opeens weet ik dan alles weer. De zon op mijn vacht, het rennen achter een bal aan in het park. Ik was jong toen, en Timo nog een onhandige pup. Het licht op het droge, gele gras en de fel gekleurde kinderkleren. Een hoge stem die ‘Apport’ roept. De bal vliegt hoger dan de wolken en verdwijnt in de zon. De bal. Een grijs stipje in de lucht. In mijn droom rennen we dicht naast elkaar, grommend en bijtend naar elkaars’ staart tot we door het stof heen rollen. Timo en ik, de bal op het gras.
‘Bal!’ roept De Kleine Jongen. ‘Pak bal!’
De vreemde smaak van het rubber in je bek. Bijten. Timo hield zijn kop scheef en probeerde de glibberige bal tussen zijn kiezen te nemen. Zijn bek was nog te klein om de bal weer terug te kunnen brengen. Steeds als hij hem te pakken had schoot hij weer weg en rolden en tolden we in de zon tot ik hem tussen mijn tanden had.
‘Hier! Plaats! Apport!’
Tot ik de bal terugbracht. De Vrouw was er toen nog en de Kleine Jongen. De Man was groot en wild en lachte hard als hij probeerde de bal uit mijn bek te trekken. Ik zette mijn poten schrap en schudde grommend mijn kop. Woest. Een beest. Ik gromde en liet mijn tanden zien. Je mag de hand niet bijten die je eten geeft, maar van bijten in de bal moest hij lachen. Hij was het baasje en ik beet. Hij gromde terug en trok.
‘Wolf – laat los!’ juichte De Kleine Jongen. Hij had zijn armen om Timo heen geslagen. Maar ik liet niet los. De Man trok en ik liet hem trekken en ik voelde de heerlijke druk tot in de wortels van mijn hoektanden. Bijten. Dieper en wilder. Het fantastische gevoel dat misschien nog het meest lijkt op krabben aan een korstje dat jeukt. Ik beet tot mijn kaken kraakten en deed mijn ogen dicht. De Man trok en rukte aan de bal tot het leek dat mijn tanden het zouden begeven. Dan draaiden we rond. Soms tilde Hij me lachend aan mijn tanden op en draaide me in een grote cirkel om hem heen. Mijn poten ver boven de grond. Tot in de wolken. Bal. Bijten. Bijten. Als ik losliet rolde ik duizelig door het gras.

Toen ik wakker werd, was het ijskoud in de bijkeuken. Terwijl ik me dichter tegen Timo aankrulde voelde ik de droom nog in mijn kaken als een levende herinnering. Maar waar we nu wonen, is geen park om met de bal te spelen denk ik. Ik weet het niet zeker. De enige keren dat we buiten komen is als we ons door het luik in de bijkeuken wringen. De tuin is een woestijn van tegels en roestende apparaten. De schutting is een paar weken geleden omgewaaid zodat we nu af en toe eten kunnen zoeken in de doolhof van steegjes en gangetjes achter het huis. Er zijn er ’s nachts meer zoals wij. Veel meer dan je denken zou. Haveloze, magere honden waar niemand meer voor zorgt. Honden met een vale vacht, waarvan je de ribben kunt tellen. Honden met een huis maar zonder eten. Het is moeilijk om aan voer te komen. Je kunt de vuilnisbakken niet omtrekken en je mag van geluk spreken als iemand een bakje kattenvoer buiten zet om zijn poes naar huis te lokken. Maar dat is kattenvoer.

De vrouw is weg, net als de Kleine Jongen. De Man is groter geworden en gevaarlijk. Onze etensbak ligt ergens glimmend schoongelikt in de hoek van de bijkeuken. Maar Timo en ik zijn erg op elkaar gesteld en vanuit de bijkeuken kunnen we het televisiescherm zien. Ik weet trouwens niet zeker of Timo daar erg aan hecht. Soms spitst hij zijn oren als er een hond op televisie is en heel af en toe kwispelt hij als hij een Kleine Jongen ziet. Misschien dat hij dan aan vroeger denkt, maar zeker weten doe ik dat niet. Gisteren, toen het buiten al heel lang donker was en De Berg rochelend lag te dromen, waren er grote honden op televisie. Een roedel grote, grijze honden die in een eindeloos park speelden waar het gesneeuwd had. De grote honden hadden geen bal en er waren geen Mensen om takken naar terug te brengen. Ze speelden een wild spel met een hert voor hen uitrende in de diepe sneeuw. Het hert had hoge poten, maar de grijze honden waren met meer. Ze joegen het hert op, hun lange tong uit hun bek. De honden hadden grote, witte tanden en gele ogen die in het donker op lampjes leken. Ze renden, met taaie spieren onder een dikke grijze vacht. Timo sliep onrustig, dicht tegen me aan en even stelde ik me voor hoe het zou zijn om weer met hem door het park te rennen. Steeds sneller, tot je longen pijn doen in de koude lucht. Sneller, wilder. De grote honden renden alsof hun leven er vanaf hing. Eerst over een grote witte vlakte, dan door een donker bos. Het was een spannend spel en steeds als ik dacht dat ze het hert te pakken hadden, maakte dat een vreemde bocht of een grote sprong zodat het buiten hun bereik bleef. De grootste hond rende steeds vlak naast het hert, zijn kop scheef. Hij beet naar de poten, maar telkens zonder ze te raken. De anderen kwamen steeds dichterbij. Plotseling sprong er één op de rug van hert. Het hert struikelde en de grootste hond zag zijn kans schoon en sprong naar zijn nek en beet zich vast in de dikke vacht. Bal. Bijten. Vasthouden. Even rende het hert nog door, met de woeste hond aan zijn nek. Het moest net zo voelen als een bal. Je kon zijn tanden zien, de kracht van zijn grote kaken. Ik kwijlde. De hond liet los en liet zich grommend voor het hert in de sneeuw zakken. De anderen lagen hijgend in de diepe sneeuw, hun tong uit de bek. Stoomwolkjes stegen op. Het hert stond stil. Langzaam kropen ze door de diepe sneeuw op hem af. Zenuwachtig spitste het hert zijn oren en keek angstig om zich heen. Maar de grote hond voor hem gromde en liet zijn tanden zien. Hij blafte kort en tegelijkertijd sprongen de anderen op het hert. Onwillekeurig beet ik in de stof van het dekbed. Vast. Toen zakte het hert door zijn poten. Terwijl de honden zich grommend tegoed deden, kleurde de sneeuw rood van zijn bloed.

3. Neer

Nooit bijt je in de hand die je voert. Dat is het belangrijkste om te begrijpen. Je gehoorzaamt je baasje, wat er ook gebeurt. Maar vandaag is het de vierde dag zonder ook maar iets gegeten te hebben. Timo is onrustig en hij ziet er steeds slechter uit. De Honger zit in iedere vezel van mijn lijf. Honger. Ik lig hijgend op het koude beton van de vloer. Honger vreet je weg. Letterlijk. En ik voel hoe het op mij kauwt en bijt en knaagt. Ik probeer mezelf comfortabel op te rollen, mijn neus in het warme plekje bij mijn achterpoten, maar na een seconde rol ik om en lig ik met bek op mijn voorpoten. Ik vraag me af hoe hert smaakt en ik merk dat ik kwijl. Ik zou alles kunnen eten nu, maar ik weet niet of ik de kracht zou hebben om te jagen. Timo jankt zachtjes. Zijn flanken gaan snel op en neer. De Man in de kamer hijgt en zucht en snurkt. Even doe ik mijn kop door de deur, maar De Berg beweegt en gromt. Ik schud mijn kop en ga liggen. Timo kijkt gehypnotiseerd naar het gele doosje bij de man zijn voet. Zijn neusgaten staan wijd open. Ik ruik wat hij ruikt. Natuurlijk ruik ik wat hij ruikt. Ik ben ouder maar niet doof. De Honger scherpt je zintuigen en breekt je af tot je bij je basis bent. Ik ben alleen nog maar een neus en een lege maag. Natuurlijk ruik ik de halve hamburger die nog in het doosje zit. Ik ruik hoe het rundvlees afkoelt, ik ruik hoe de zoete saus stolt en het broodje doorweekt. Ik ruik zelfs de schijfjes augurk en de fritessaus die kleeft aan het felgele piepschuim doosje. Natuurlijk ruik ik dat en Timo ruikt het ook. Hij heeft zijn kop laag, zijn tong bijna op de grond. Zijn neusgaten staan wijd open en doelbewust duwt hij me aan de kant. Hij is groter dan ik, valt me plotseling op. Hij zou zijn kop op de mijne kunnen leggen als hij zou willen. Ik probeer me hem voor te stellen als hij goed doorvoed zou zijn. Een forse hond met een smalle achterhand om snelheid te maken maar voldoende borst en schouders om zijn mannetje te staan. Nu duwt hij me aan de kant en beantwoordt mijn waarschuwing met een snauw. Eindeloos langzaam sluipt hij de kamer in. De vloer is rood verlicht en op televisie kreunen en hijgen mensen als spelende honden. Timo sluipt langs de muur, steeds voorzichtig over de pizzadozen heenstappend. Ik zie zijn ogen heen en weer flitsen van De Man naar het gele doosje bij zijn voet. Timo ligt achter de bank, waar De Man hem niet kan zien. Als je niet anders wist, lijkt het of hij naar de televisie kijkt. Hij ligt heel stil, tussen het afval dat De Man van zich af gegooid heeft. Centimeter voor centimeter kruipt Timo in de richting van de bank. Voorzichtig schuift hij zijn hele lijf steeds een klein stukje naar voren. Zijn oren in zijn nek, zijn bek halfopen. Plotseling beweegt De Man. De hele vleesberg komt in beweging en vanachter de deur van de bijkeuken probeer ik geluidloos Timo te waarschuwen. Hij knijpt zijn ogen samen en kijkt me een seconde aan. De Berg hijgt en kreunt. Hij roept iets wat ik niet versta. Even lijkt het of hij zich om wil draaien, maar ik begrijp Timo’s blik. Ik slik een keer en loop openlijk de kamer in, recht op hem af. Even moet ik denken aan het spel van de grijze honden op televisie. Ik denk dat ik zelfs grom, alleen om hem even af te leiden. Het werkt.

‘Wakrijgewenou? Gloeiende…’
De vleesberg komt in beweging en grijpt naast zich in de stapel vuil. Vanuit mijn ooghoeken kijk ik naar Timo die zijn spieren spant en zich zo plat maakt als hij kan. Nu grom ik, mijn tandvlees bloot. De nekharen in mijn nek staan overeind en ik zie hoe Timo tien centimeter in de richting van het doosje schuift. Dit doen we samen. Zoals we alles samen doen. Straks delen we samen de resten van de hamburger. Maar voor ik de gedachte af kan maken brulde De Berg die ooit ons baasje was. Maar De Man is onze baas niet meer. Honger is onze baas.
‘Wamoe je dan? Hé, wamoe je dan?’ Hij vindt de riem tussen de dozen en ik zie hem het uiteinde van de riem om zijn hand slaan. Het eind met de gesp dreigend slepend door het vuil.
‘Nou klerehond, moeje een pak op je falie?’
Timo piept, bijna onhoorbaar zacht, zijn ogen nu op mij gericht. Maar ik weet hoe ver ik kan gaan. Zo langzamerhand weet ik wel hoe lang de riem is en langzaam loop ik in een ruime boog om de bank. Weg van de deur van de bijkeuken en weg van Timo die op zijn buik rechts naast de bank ligt. Grommend, maar steeds buiten bereik van de riem.
‘Hebbet lef…’ dreigt De Man. Zijn enorme lijf trilt van woede en de gesp trekt trage cirkels naast zijn voet. ‘Hebbet leffes om in de buurt te komme…’ Langzaam komt hij overeind en doet een stap in mijn richting. Ik laat me op mijn buik zakken, mijn oren ver in mijn nek. Ik blaf en zie hoe Timo steeds dichter en dichter naar het doosje schuift. Als hij staat, lijkt De Man tot het plafond te reiken. Zijn benen zijn zo dik als een vuilnisvat en zijn buik lijkt de halve kamer te vullen. Hij is dichtbij nu, hij ruikt naar zweet, naar woede en naar eten. De Man draait zich om en ik kan niet anders dan een stap vooruit doen. Mijn tanden bloot. Binnen het bereik van de riem. Ik grom en zie in een flits de koperen gesp op mij afkomen. Het metaal fluit door lucht en knalt naast me op de vochtige vloerbedekking.
‘Neerrrrr jij….’ Brult De Man terwijl hij de riem naar zich toetrekt. Grommend kruip ik ineen en schuifel achteruit. Al mijn spieren gespannen. Weer knalt de gesp vlak voor mijn neus op de grond.
‘Neerrr! Geen gerotzooi met me eten, je zorgt zelf…’
En op hetzelfde moment springt Timo vooruit en pakt het hamburgerdoosje in zijn bek. Hij laat het vallen en probeert het gladde doosje weer in zijn bek te nemen.
Ik blaf hard. Misschien om De Man af te leiden of om Timo te waarschuwen. Maar ik ben te laat. Zijn been schiet verrassend snel omhoog en met een dreun plant hij zijn dikke voet in de nek van Timo.. De Man bukt voorover, pakt Timo hard in nekvel en drukt zijn kop tegen de grond.
‘Néér jij!’
Timo’s kop verdween tussen de dozen en de zakken. Hij kermt van de pijn. Mijn vacht lijkt elektrisch geladen en mijn bloed jaagt door mijn aderen. Ik blaf, De Man slaat de riem dubbel, en houdt met zijn andere hand Timo´s kop tegen de grond. Een moment lang kijkt De Man mij aan met een blik die ik niet snel vergeten zal. Het piepschuim van het hamburgerdoosje knarst in Timo’s bek.
‘Neer! Vulle straathond, zoek je eige vrete maar. Neer!!! Of zal ik je eens…’ De riem schiet fluitend door de lucht en kletst hard op Timo’s zij.

Maar toen sprong ik al. Toen beet ik al. Ik bijt met alle kracht die ik in mijn kaken heb. Met alle kracht van het slapen op beton. Met alle kracht van het bijten op het dekbed. En ik bijt door alsof het het rubber van de bal is. Hij smaakt naar metaal en ik probeer de geur te negeren. Ik bijt omdat De kleine Jongen weg is die elke ochtend de voerbak vulde. Ik bijt totdat ik bloed proef. Hij brult en slaat op mijn neus en ogen. Vast.
´Loslaten Wolf!´ hoor ik van heel ver De Kleine Jongen roepen. Maar ik houd vast tot De Berg zich opricht, met mijn kaken op slot in zijn nek. Hij slaat, maar het lijkt of alles langzaam gaat en ik heb tijd genoeg om aan de bal te denken, hoe lang het geleden is dat ik aan mijn tanden heb gehangen. Hoe lang het geleden is dat ik gegeten heb. Met mijn ogen dichgeknepen, tol ik door de lucht met mijn poten van de grond. Ik heb de bal en druk mijn tanden dieper in het rubber. Ik houd me vast met alle kracht die Honger in zich heeft. Al draai ik honderd rondjes om hem heen, ik houd vast. In die vreemde draaimolen zie ik Timo wegspringen. Ik raak de deurpost met een knal maar loslaten kan niet meer. Ik grom, met al mijn tanden bloot en ik heb de bal. Dan zie ik Timo hoog opspringen, De Berg wankelt en stopt met draaien. Verbazingwekkend langzaam komt plotseling de grond dichterbij, De Berg valt zoals een boom valt. De dreun is enorm en dozen vliegen door de kamer. Timo laat los om niet onder de vleesberg te komen, maar aarzelt geen moment als hij De Man ziet liggen. Ik ben duizelig, maar kan nog steeds niet loslaten. De Man kermt en slaat wanhopig van zich af. Hij piept als zo’n rubberen kip. Maar wij zijn met meer en ik laat niet los. De man ligt midden in de kamer op zijn rug als een reusachtige aangespoelde walvis, niet in staat zich te bewegen. Timo loopt in cirkels om hem heen en kijkt me aan. Hij kwijlt.

Ik heb de muur harder geraakt dan ik dacht. In elk geval doet lopen pijn en sleep ik met mijn achterpoot. Maar voor het eerst sinds De Kleine Jongen weg is, liggen we tevreden naast elkaar bij de verwarming. Voldaan, onze koppen dicht bij elkaar op een kussen. Sinds het donker is, wordt het kermen zachter als we eten. Ik denk niet dat hij er veel van merkt. Ik lik Timo achter zijn oor waar hij dat het prettigst vindt. Misschien kunnen we morgen wat anderen uit de buurt uitnodigen. Er is genoeg voor iedereen.

Categorieën
Kort culinair literaire fictie

Vasten

(Deus ex Machina)

Januari. Ze had het klooster gemakkelijk gevonden, eerst de trein naar ’s Hertogenbosch en dan bus 265. Mensen hadden haar voor het laatst gezien op een bankje bij de veerpont. Roerloos, omringd door witte duiven. Dat was geen wonder, want ze voerde hen chips uit een grote zak die naast haar stond. Om haar heen lagen versnipperde tijdschriften en boeken. Haar verhalen die de essentie steeds hadden gemist. Het was al avond toen de zak leeg was en een windvlaag hem plotseling oppakte. Even tolde hij over het pad als een speelse kater, toen vloog hij hoog de lucht in. Dat was een teken, dacht ze. Daarom was ze hier. Om zo licht te worden dat ze op een zuchtje wind weg zou kunnen vliegen. Toen verdween ze ongezien in de schaduw van de poort en haastte zich in de richting van de kapel.

Ze herinnerde zich hoe in die eerste weken in het klooster de stilte het langzaam won van de deadlines, scripts, stemmen en sterren. Nu was het april. Ze glimlachte trots: de hele vastentijd van veertig dagen had ze niets gegeten en gedronken. Natuurlijk had ze in het begin aan eten gedacht. Maar dat was ze als culinair journalist wel gewend. Een leven gewijd aan eten: aan het zoeken naar de essentie. Of beter, naar de essentie van het bestaan! Ze had het gezocht in de keukens van de hogepriesters van smaak, de monniken van het mondvermaak. Ze had hun leugens van hun lepels gelikt, geslikt als een amuse. Ze was verdwaald in een wereld die verslaafd was aan smaak. Ze beet op haar lip tot ze bloed proefde. Want nog meer dan de mensen, vervloekte ze haar lichaam dat om eten smeekte.

Want behalve de glossy’s, sterrenrestaurants en bijbehorende ambities, waren er ook de klinieken en ziekenhuizen. Haar gezicht vertrok toen ze aan de naalden dacht, het infuus dat haar voedde als ze erachter kwamen dat ze vastte. “Zevendertig jaar,” fluisterde ze gefrustreerd. Gevangen in een lijf dat hunkerde naar vet en als een peuter vrat en zeurde om te blijven leven. De eindeloze sessies waarin ze naar dat lijf moest kijken in de spiegels van psychologen. Het wikken en twee maal daags wegen. Het praten tot ze een ons woog of nét iets te weinig. Net zo lang tot ze op de zondag na haar verjaardag voorgoed verdween en voor altijd stopte met eten.

vasten

Jonnie Boer, Goossens, Sergio natuurlijk – een reis langs de sterren waarin ze proefde, schreef en zocht. Het had haar zelf tot een ster gemaakt. Maar nu glimlachte ze om die vruchteloze queeste omdat ze begreep dat de kern niet in hun keukens lag maar hier in het klooster, in stilte. Want híer kon ze hem horen, in de honger die groot en leeg was als een woestijn.

Vandaag was het de donderdag voor Pasen. De dag van het laatste avondmaal. Het water liep haar in de mond bij het woord. Maar ze mocht niet eten. Veertig dagen vasten. Veertig dagen in de woestijn, dat had hij zelf gezegd.

Ze streelde het koekje met trillende vingers. Het was een eenvoudig recept: een beslag van meel en water dat een nacht moest rusten en de dag daarna gebakken werd. Voorzichtig legde de voormalig culinair journalist een stapel van zestig vellen ouwel op een draaischijf en liet langzaam de boor zakken. Zestig perfect ronde hosties die aanvoelden en smaakten als stevig karton. Een duizeling en de bakkerij begon om haar heen te draaien.
“Het lichaam van Christus,” noemde de priester de hostie. Hilde fronste diep toen ze zich opeens de man in de witte jurk herinnerde. Ze was dertien, het jaar dat ze leerde dat alle mannen beesten zijn en op school dat iedereen afstamt van apen. En het was het jaar dat ze hem voor het eerst hoorde. ’s Nachts alleen in bed, als hij vertelde over het brood dat op haar tong in een lichaam veranderde. Een druppel zweet gleed van haar voorhoofd en spatte glinsterend uit elkaar op de marmeren tafel. Dát was een wonder. En zo was Maria zwanger geworden, vertelde hij. Ze was een meisje nog, maar ze kon proeven dat het waar was. “Ben je daar?” fluisterde ze. Ze gleed onderuit en greep de tafel. Haar voorhoofd raakte de grond als een stier in de ring. Toen werd het donker.

De zusters stonden om haar heen, de jongste van hen werd volgende week zeventig. Hun witte gewaden ritselden als beukenblaadjes toen ze elkaar aankeken en bezorgd haar voorhoofd streelden. Het leken feeën uit een sprookje. Maar te groot, dacht Hilde, en veel te zwaar om een engel te zijn.

“Ze heeft koorts,” stelde één van hen vast. De anderen knikten. “We kennen haar niet. Voel eens hoe mager ze is!” Net na de jaarwisseling hadden ze haar in de kloosterkapel gevonden. Een retraite had ze het genoemd, maar natuurlijk had ze gelogen.  “Ze is ziek…” fluisterde de jongste van hen. “Laten we een dokter bellen alsjeblieft.”

Ze drukte een glas tegen Hildes lippen maar ze schudde haar hoofd en duwde het glas weg.

Het laatste avondmaal

Ze lag op haar rug. Een bedlampje verlichtte de balken in het plafond. Een bord stond onaangeroerd naast haar. In de hoek van het raam fladderde een nachtvlinder die de weg naar buiten zocht. Een balk kraakte en opeens voelde Hilde dat ze niet alleen was. Ze liet zich van het bed op haar knieën glijden en even was het of iemand zacht haar schouder aanraakte.  “Je gedachten moeten nog lichter worden als je bij me wilt zijn,” fluisterde de stem die ze zo goed kende. Ze hield haar adem in en kneep haar ogen dicht. “Lichter dan lucht. Zo licht dat je kunt ontsnappen aan deze wereld.” En in een flits, na al die jaren wist ze wat ze had gezocht.

“Ben je daar, liefste?” fluisterde ze. “Ben je daar eindelijk?” Duizelig stond ze op en wankelde haar kamer uit. Het was alsof ze haar voeten de grond niet raakten, alsof ze over water liep. Haar lichaam was nu bijna verdwenen, haar gedachten doorzichtig.
De deur van de hostiebakkerij kraakte. Minuten lang stond ze als betoverd in het licht van de bijna volle maan. Haar jurk gleed van haar af en bleef liggen als de cocon van een reusachtige nachtvlinder. Naakt stond ze tussen de machines en de voorraad. Haar lijf hunkerde ernaar om aangeraakt te worden, smeekte om nooit meer alleen zijn.  Zacht raakte ze haar voorhoofd aan. Ze kreunde omdat het was alsof ze zijn lippen voelde op haar hete huid. Dan haar borsten, haar tepels, eerst links dan rechts. Haar lichaam gloeide, beefde. Haar vingers streelden het wafelijzer waarin de hostie werd gebakken.  “Engelenbrood,” fluisterde ze. Gods lichaam uit een machine.

En met haar ogen gesloten graaide ze de honderden hosties van de droogrekken. Ze scheurde de zakken open die voor Pasen de wereld in zouden worden gestuurd. Honderden hongerigen die kwijlend en knielend tevergeefs zouden wachten op dit brood.  Ze trok een rek omver en haar lichaam werd bedolven onder de perfect ronde hosties. Met handenvol stopte ze de ouwel in haar mond. Zijn stem, zo dichtbij! Ze schranste tot de laatste verhalen verdwenen en eindelijk dat perfect ronde gat in haar ziel gevuld was. Ze huilde omdat ze voor het eerst van haar leven niet alleen was. En opeens hoorde ze hem zeggen: “Eet, dit is mijn lichaam…”

Deus ex machina, een wonder

Ze struikelde het klooster uit dat als een vierkant om de binnenplaats gebouwd was. Dat vierkant stelde de wereld voor, je lichaam. Dat hadden de zusters verteld.  In het midden van de binnenplaats was een put: de cirkel waarvanuit de stilte het klooster vulde. Hoe vaak had ze niet hunkerend vanuit de gang naar dat midden gekeken. Gevoeld hoe waar het was. Hoe vanuit haar eigen hart haar lijf zich vulde met die ene stem. Maar nu stroomde de put over. Colonnes van honderdduizenden sprinkhanen kropen met  knarsende kaken uit de diepte. Ze waren bijna zo groot  als een vinger en kropen knersend over elkaar heen als miniatuur pantservoertuigen. Traag door de koelte van de nacht vlogen ze op om een paar meter verder weer te landen, kruipen, ritselen. Als zand in de woestijn.

Ze was klaar. Ze knielde bij de put en voelde het grind niet meer. De insecten die onder haar knieën kraakten en haar benen en buik bedekten. De honger was verdwenen. Ze staarde naar beneden tot ze in die spiegelende diepte de sterrenhemel zag. Haar lichaam was voldaan en haar ziel werd licht als een lege zak chips. En op dat moment verloren haar gedachten ieder gewicht en steeg ze op. Een centimeter eerst,  haar hakken weifelend, nog net boven de stenen. Maar al snel steeg ze op in de richting van de sterren. Glimlachend zag ze het klooster verdwijnen. Verbijsterd zag één van de zusters haar opstijgen langs haar raam – nog geen halve meter van haar vandaan. Nog jaren herinnerde ze zich de rode putjes van het grind in haar voetzolen.

Toen ze haar vonden, trok juist een vallende ster een heldere streep door de nacht. Natuurlijk wisten de zusters wel dat zoiets niet meer was dan een steen was die verbrandde tijdens zijn val. Toch glimlachten ze toen ze haar lichaam moeiteloos optilden en naar binnen droegen. Voldaan en vervuld van een vreemd geluk. Alsof hun eigen hart op dat moment wat lichter werd.

Dit verhaal is eerder verschenen in 
Bouillon! Het gastronomisch magazine in boekvorm.